Het belang van marketing boards in Afrika

De toespraak van Diamantino Nhampossa over marketing boards bij gelegenheid van het EU Forum over Duurzame Plattelandsontwikkeling te Berlijn, 17-18 juni 2007

Mijn land, Mozambique is een van die Afrikaanse landen waar de gevolgen van kolonisatie, neo- of herkolonisatie, en structurele aanpassingsprogramma’s zichtbaar zijn. Er is een toename van het aantal arme mensen dat op het platteland leeft zonder basale openbare diensten zoals drinkbaar water, gezondheidsdiensten en onderwijs, terwijl onze belangrijke stedelijke centra een concentratie laten zien van rijkdom die in handen is van een kleine groep mensen. De randgebieden van de stad zijn overbevolkter dan ooit en het leven van alledag is een zware beproeving.

Als we kijken naar het soort landbouwbeleid dat voor onze landen vandaag de dag wordt aangeprezen, dan vinden we daarin geen reden om te geloven dat er werkelijke interesse is in het aanpakken van de grondoorzaken van de armoede of in het bevorderen van een breed opgezette plattelandsontwikkeling. De economische structurele aanpassingsprogramma’s, de SAP’s hebben onze landbouweconomieën op een ernstige wijze verzwakt. En op dit moment zijn de economische partnerschapsovereenkomsten, EPA’s een wapen dat het vermogen heeft om onze lokale markten voor landbouwproducten te vernietigen. Waar de groene revolutie zou kunnen leiden tot een toegenomen productie van een paar voedselsoorten, betekent dat nog niet dat er geen sociale en ecologische kosten mee gemoeid zijn. Er is meer dan voldoende bewijs dat de groene revolutie in het voordeel was van die boeren die zich de technologie konden veroorloven, ten koste van arme boeren die dat niet konden. Dit leidde tot een toename van landloosheid aangezien arme boeren in de schulden raakten en hun bezittingen verloren. Het leidde ook tot een toegenomen trek naar de steden en de paradox van een toenemende honger. Ondanks de claims van een toegenomen voedselproductie blijft wijdverspreid de honger voortduren in die landen waarin de groene revolutie is doorgevoerd, hoewel een aantal van die landen voedseloverschotten hebben bestemd voor een aanzienlijke export. De ironie van onze wereldeconomie is dat voedsel als gevolg van de handel stroomt vanuit gebieden waar de mensen honger lijden naar gebieden waar geld is.

Het toegang hebben tot land is voor kleine boeren van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van de landbouw in Afrika. In Mozambique hebben wij succes met wetgeving die toegang tot land kan verzekeren voor kleine boerengezinnen. De geest echter die uit deze wetgeving spreekt, wordt beknot door een gebrek aan agrarisch beleid dat de kleine boeren en hun gezinslandbouw zou kunnen ondersteunen. Wij kunnen niet spreken over de toegang tot en het beheer van het land door de armen, als dergelijke toegang en beheer niet gepaard gaan met geschikte maatregelen die boeren helpen voedsel te produceren voor lokale markten; wij spreken in dit geval van beleid dat leidt tot voedselsoevereiniteit. De ontwikkeling van de landbouw en van plattelandsgebieden vereist dat de staat een beleid verzekert dat in het voordeel is van de kleine boeren en de gezinslandbouw. Dit beleid moet worden geïmplementeerd ter bevordering van een duurzame landbouw gebaseerd op de kleine boer. Droevig genoeg bevoordeelt het huidige politieke beleid in de meeste landen de grote exportproducenten en schaden zij de kleine boer die het voedsel produceert. Het is dringend nodig dat we een dergelijk verkeerd gericht beleid van richting veranderen.

Ik zou graag uw aandacht willen vragen voor de ICCARD-verklaring waaruit ik het volgende citeer: “Beleidsmaatregelen en praktijken voor het verbreden en veiligstellen van een duurzame en rechtvaardige toegang tot en controle over land en aanverwante hulpbronnen en de voorziening in rurale diensten zou op zodanige wijze onderzocht en herzien moeten worden dat volledig recht wordt gedaan aan de aspiraties van de plattelandsbevolking, vrouwen en kwetsbare groepen, inbegrepen het woud, de visserij, inheemse en traditionele plattelandsgemeenschappen, door hen instaat te stellen om hun rechten te beschermen, in overeenstemming met het nationale wettelijke kader.” Binnen Via Campesina ondersteunen wij deze verklaring door de regeringen van de wereld en wij vragen dat zij werkelijkheid mag worden.

De ICCARD-verklaring gaat verder met te zeggen: “Landbouwbeleid moet een evenwicht vinden tussen de nationale beleidsruimte en internationale disciplines en engagementen. Inderdaad, landbouwbeleid is een belangrijk instrument voor landhervorming en landbouwkundige hervorming, voor ruraal krediet en verzekering, voor technische bijstand en andere daarmee samenhangende maatregelen om voedselsoevereiniteit en plattelandsontwikkeling tot stand te brengen.”

Op dit punt zouden wij graag willen zeggen dat voedselsoevereiniteitsbeleid van veel groter belang is voor het welzijn van onze bevolking dan het naleven van bepaalde soorten negatieve internationale engagementen, zoals deze in de overeenkomst voor landbouw van de WTO, die kleine landbouwers en familieboeren schaden.

In het Afrika van vandaag hebben vrijhandelsovereenkomsten het private handelaars gemakkelijker gemaakt – zij zijn immers de enige kopers en verkopers van voedsel die nog overgebleven zijn nu de marketing boards grotendeels verdwenen zijn – om gesubsidieerd voedsel te importeren uit rijke landen en af te zien van onderhandelingen met duizenden kleine lokale boeren. Het gevolg daarvan is dat de prijzen voor de lokale landbouwproducten omlaag gedreven worden tot onder de productiekostprijs. Boerengezinnen in Mozambique en over heel het Afrikaanse continent, die met dit negatieve scenario worden geconfronteerd, laten de landbouw in de steek op zoek naar slecht betaalde baantjes in de stedelijke randgebieden en geraken zo in de internationale migrantenstroom. Dit is een droevige waarheid en de economische partnerschapsovereenkomsten kunnen dit alleen maar verergeren.

Ons land is zoals andere Afrikaanse landen de laatste 20 jaar in hoge mate afhankelijk geworden van buitenlandse budgetondersteuning. Deze ondersteuning was in hoofdzaak gericht op het realiseren van een agenda die is gebaseerd op beleid dat gericht is op liberalisering en privatisering van de economie van het land. Gedurende al die jaren ging er bijna niets naar de landbouw en in het bijzonder niet naar de boerenlandbouw. Plekken die eens onze groene en productieve gronden waren, zijn nu in de steek gelaten door de boeren en worden onproductieve woestijnen.

Het huidige leven op het platteland is verwoest als gevolg van jarenlange vrijhandel en van beleid dat tegen de kleine boer is gericht en dat onze regeringen werd opgelegd door de bilaterale en multilaterale bondgenoten. De gedwongen privatisering van marketing boards voor voedselteelten – die, hoewel verzwakt, eens de Afrikaanse boeren een minimumprijs garandeerden en voedselvoorraden aanhielden voor noodgevallen – en de sluiting van de landelijke ontwikkelingsbanken, die aan de boeren krediet verleenden om voedsel te produceren, hebben de boeren achtergelaten zonder hen krediet te verlenen voor voedselteelt en zonder kopers voor hun producten. Wij leven als gevolg van dit beleid in een wanhopige toestand.

Welke soort hulp heeft Afrika nodig? In ieder geval geen dumping in de vorm van voedselhulp door de rijke landen die tot gevolg heeft dat de lokale inspanningen om voedsel te produceren vernietigd worden; ook niet de oplegging van een industriële landbouw, gebaseerd op chemicaliën en hoge opbrengstzaden, wat in onze landen het paradoxale resultaat heeft van een grotere productie van een paar voedselteelten gepaard aan een nog grotere honger en aan ecologische aftakeling. Pesticiden en kunstmeststoffen verlagen uiteindelijk de kwaliteit van de grond en leiden tot een afnemende productiviteit. De hoge kosten van deze inputs vergroten de opdeling in rijke en arme boeren welke laatsten de rij hongerlijders vergroten.

Ontwikkelde landen hebben heel wat ervaring met de negatieve gevolgen van monoculturen en van GGO-teelten. Toch worden deze zelfde methoden aan Afrikaanse landen zoals Mozambique aanbevolen. Waarom? Wij moeten leren van de lessen van het verleden, we moeten vernieuwend zijn en moedig in onze hulp en in het landbouwbeleid. Zo niet, dan zullen de fouten van het verleden eenvoudigweg herhaald worden en zullen kleine boeren nog meer verarmd raken, alles in naam van de globalisering.

Het is belangrijk om het verschil te erkennen tussen “ontwikkeling” en vooruitgang in technologische zin. Technologische vooruitgang staat niet noodzakelijk gelijk aan verbeterde levensomstandigheden voor armen kleine boeren, het doet eerder hun armoede toenemen. Technologie is niet voor alles een oplossing.

Eén alternatief dat overblijft om de armoede op het Afrikaanse continent te bestrijden is het voorstel dat komt van de boerenbewegingen, van de inheemsen, van de migranten, van de vrouwen en van de plattelandsgemeenschappen, zoals bevestigd gedurende het internationaal forum dat eerder dit jaar in Mali gehouden werd: dat is voedselsoevereiniteit. Voedselsoevereiniteit is het recht van mensen op gezond en cultureel aangepast voedsel dat op ecologische wijze is voortgebracht volgens duurzame methoden, en hun recht om zelf hun voedsel- en landbouwsysteem te definiëren. Het plaatst hen die voedsel produceren, verspreiden en consumeren in het centrum van het voedselsysteem en het voedselbeleid, eerder dan de vragen die voortkomen uit de markt en de bedrijven. Het verdedigt de belangen van de volgende generatie en het betrekt haar daarbij. Het biedt een strategie om weerstand te bieden en om de huidige handel door bedrijven en het huidige voedselregiem te ontmantelen. Het maakt ruimte vrij voor systemen van voedselproductie, van landbouw en veeteelt, en van visserijsystemen die bepaald worden door plaatselijke producenten. Voedselsoevereiniteit geeft voorrang aan lokale en nationale economieën en markten en ondersteunt de landbouw die bedreven wordt door kleine boeren en familiebedrijven, op ambachtelijke wijze bedreven – visserij, nomadische veeteelt en voedselproductie, distributie en consumptie gebaseerd op ecologische, sociale en economische duurzaamheid. Voedselsoevereiniteit promoot een transparante handel met garantie voor een eerlijk inkomen voor alle mensen en het recht van consumenten om greep te houden op hun voedsel en hun voeding. Het verzekert de rechten op het gebruik en beheer van onze gronden, wateren, zaden, de veestapel en de biodiversiteit, in handen van diegenen van ons die het voedsel voortbrengen. Voedselsoevereiniteit betekent nieuwe sociale verhoudingen die vrij zijn van onderdrukking en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, volkeren, raciale groepen, sociale klassen en generaties.

Mag ik er ten slotte bij de EU en dit Forum op aandringen om de ICCARD-verklaring (ICCARD = internationale conferentie over agrarische hervorming en plattelandsontwikkeling) van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties te ondersteunen en er ook op aan te dringen dat dit ten uitvoer wordt gebracht. Het is immers een belangrijke richtlijn voor de toekomst van Afrika en voor plattelandsgebieden over de hele wereld.

Berlijn, juli 2007; Diamantino Nhampossa;UNAC - Mozambique

Via Campesina Africa

 

Naschrift:

Het begrip “marketing board” wordt vaak naar voren geschoven in kringen die zich met de gedachte aan productiebeheersing in de landbouw bezig houden. De vertaling door “marktraden” is op zich juist, maar heeft nog geen betekenis als we het niet kunnen plaatsen in zijn context.

Hieronder volgt de ervaring van een Engelse psychiater die lange tijd in Afrika heeft gewerkt en zijn eigen indrukken opdeed van het verschijnsel “marketing boards” in West Afrika. De naam van deze psychiater is Theodore Dalrymple.

Hier volgt een citaat van een passage uit zijn boek: “Beschaving of wat ervan over is” (blz 334-335)

“Misschien is de meest noodlottige erfenis van de Britten en van andere kolonialen in Afrika de idee van de filosoof-koning, een rol die de koloniale functionarissen nastreefden en die zij vaak ook echt speelden, en die ze aan hun Afrikaanse opvolgers na lieten. Veel koloniale functionarissen brachten grote offers voor hun gebieden, waarvan het welzijn hun echt ter harte ging, en ze probeerden deze verstandig te besturen, door het recht onpartijdig toe te passen. Maar ze lieten de nationalisten nu de instrumenten na om de tirannieën en kleptocratieën te vestigen die het Afrika van na de onafhankelijkheid zouden kenmerken. Ze lieten hun erfenis na waarmee gewone, niet opgeleide Afrikanen als kinderen konden worden behandeld, niet in staat om zelf beslissingen te nemen. Niets is mooier voor de despoot in spe.

Neem dit voorbeeld: de marketing boards van West Afrika. In heel West Afrika zetten miljoenen Afrikaanse boeren onder Brits bewind kleine plantages op voor producten als palmolie en cacao. (aangezien de cacaoboom pas na vijf jaar tot wasdom komt, is dit een ander voorbeeld van het vermogen van de Afrikaanse boer om vooruit te denken en om in verband met investeringen van directe winst af te zien, ondanks zijn grote armoede.) Vervolgens kwamen de Britse koloniale overheden met de idee, goed bedoeld, om de boeren te beschermen tegen de schommelingen van de markt. Ze zetten een stabiliseringsfonds op, geleid door een marketing board. In goede jaren zou de marketing board iets van het geld dat de oogst van de boeren opbracht voor hen inhouden; in slechte jaren zou het in goede jaren verdiende geld gebruikt worden om hun inkomsten te vergroten. Met stabiele inkomsten konden ze vooruit plannen.

Om dit systeem te laten werken moesten de marketing boards natuurlijk het opkoopmonopolie bezitten. En er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken hoe dergelijke marketing boards een potentiële despoot, zoals dr. Nkrumah, in de verleiding kunnen brengen: hij kon ze in feite gebruiken om de producenten van Ghana een belasting op te leggen ter financiering van zijn waanzinnige projecten, de stedelijke bevolking waar zijn macht op steunde te subsidiëren, en tevens om een persoonlijk fortuin te vergaren. Elders op het continent, in Tanzania, gebruikte Nyerere precies dezelfde middelen om de koffietelers te onteigenen, waarna ze uiteindelijk hun koffiestruiken uit de grond trokken en in plaats daarvan wat koren gingen verbouwen, zodat ze in ieder geval konden eten – dat alles ten nadele en tot verdere verarming van het land.

De gedachte achter de marketing boards was paternalistisch koloniaal:dat de plattelandsboeren te simpel waren om prijsschommelingen op te vangen en dat de koloniale filosoof-koningen hen daarom tegen dergelijke fluctuaties moesten beschermen – dit ondanks het feit dat die simpele boeren deze producten hadden gekweekt.

Na verscheidene jaren in Afrika kwam ik tot de slotsom dat het koloniale systeem fundamenteel verkeerd en misleidend is geweest, zelfs als het, zoals vaak in de laatste stadia, goed bedoeld was. Het goede dat het deed was kortstondig; de schade blijvend. De machtigen kunnen, het is waar, de machtelozen veranderen; maar niet op de manier die ze zelf willen. De onvoorspelbaarheid van mensen is de wraak van de machtelozen. Wat te voorschijn komt uit het koloniale systeem is vaak iets wat erger is, of in ieder geval verderfelijker want beter toegerust, dan wat er eerder was. Goede bedoelingen zijn beslist geen garantie voor goede resultaten.”

Facebook Twitter Pinterest