11.11.11 hekelt dumping door industriële landbouw

Herinnert u zich de Millenniumdoelstellingen? Zes jaar geleden engageerden de regeringen van 191 VN-lidstaten zich om acht objectieven te realiseren tegen 2015. Eén ervan is de halvering van de armoede en honger. Daarom gaat de Vlaamse Noord-Zuidbeweging via 11.11.11-campagnes en samen met milieuorganisaties twee jaar lang het ‘recht op voedsel’ en ‘duurzame landbouw’ promoten. Van de ruim 850 miljoen mensen die op onze aardkloot honger lijden, is het merendeel aangewezen op de landbouw – hoe primitief ook. Laat boeren niet op hun honger zitten, kapittelt het politiek dossier van 11.11.11. Vreemd genoeg is het dossier bij Boerenbond zwaar op de maag gevallen. We zetten de krachtlijnen uit de campagnetekst op een rijtje.

Ongeveer driekwart van de ondervoede mensen zijn plattelandsbewoners, meestal boeren. En dat terwijl uitgerekend zij voedsel produceren. De boeren bevinden zich vaak in deze paradoxale toestand door een moeilijke toegang tot vruchtbare gronden, water, kredieten en zaden. Voeg daar een gebrekkige infrastructuur, beperkte transportmogelijkheden en een falende marktwerking aan toe. Het algemeen onderwijsniveau is meestal bedroevend en met de landbouwvoorlichting is het niet beter gesteld. Nationale overheden hebben vaak andere prioriteiten. Niet zelden beperkt het landbouwbeleid zich tot het wegwerken van douanetarieven zodat de bevolking van de aanzwellende steden aan spotgoedkoop importvoedsel raakt. Vooral daar knelt volgens de Leuvense landbouweconoom Eric Tollens het schoentje.

11.11.11 meent dat veel kleine boeren in ontwikkelingslanden in een neerwaartse spiraal gesukkeld zijn door de Groene Revolutie die tussen 1950 en 1975 aan de wieg stond van de moderne landbouw. Honderden miljoenen producenten hebben nooit toegang gekregen tot het gebruik van pesticiden, kunstmest en hoogproductieve plantenrassen. Die zorgden niet alleen voor een sterke stijging van de productiviteit, maar ook voor een aanzienlijke daling van de landbouwprijzen, zo luidt het. Daardoor zagen miljoenen lokale boeren in de loop der jaren hun koopkracht dalen. Ze moesten hun veestapel verkopen, hun aankopen inkrimpen, enzovoort. Hier krijgt de “industriële landbouw” een eerste blaam van de Vlaamse NGO-wereld.

En dan is er de marktmacht van de grootdistributie, die ook in ontwikkelingslanden schrikwekkende vormen aanneemt. De export van groenten, fruit en snijbloemen van Kenia naar Europese supermarkten is goed voor 260 miljoen euro per jaar. Tot begin jaren negentig, toen deze markt nog niet zo belangrijk was, leverde de kleinschalige familiale landbouw zo’n 70 procent van de groenten en het fruit. Nu is dat marktaandeel verschrompeld tot 18 procent. De rest is in handen van grote commerciële plantages (42 procent) en van exportbedrijven (40 procent). Zij kunnen wél de uniforme kwaliteit en volumes leveren die de Carrefour’s en Wal Mart’s van deze wereld voorschrijven.

Valse beloften van vrijhandel

Nog erger is dat ontwikkelingslanden hun markten niet of nauwelijks kunnen afschermen voor producten uit het buitenland. Indien de nationale overheid daar al bereid toe zou zijn, voelt ze de druk van internationale instellingen zoals het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank, die de arme landen sinds de jaren tachtig structurele aanpassingsprogramma’s opleggen. In de praktijk komt dit neer op toenemende liberalisering en steun voor de exportlandbouw, terwijl de overheid in heel wat landen zijn regulerende rol op het platteland heeft opgegeven. Daardoor was in veel landen de toegang tot voorlichting, krediet en andere vormen van landbouwsteun zoals douanetarieven tegen het begin van de jaren negentig grotendeels weggevallen. Hoewel de Wereldbank de jongste jaren meer nadruk legt op armoedebestrijding, houdt de instelling nog steeds geen rekening met de landbouw en plattelandsontwikkeling in de derde wereld, aldus 11.11.11.

In Tanzania werd vóór 1985 de commercialisering en de prijsbepaling van landbouwproducten nauwkeurig gecontroleerd door het Tanzaniaanse landbouwministerie. Exportgewassen werden aangekocht bij landbouwers aan vaste prijzen. Een parastatale kocht de voedingsgewassen op, stockeerde ze en organiseerde de verkoop in de steden. Dit landbouwsysteem werd opgegeven en de laatste twintig jaar richt de overheid zich meer op dienstverlening aan grootschalige landbouwondernemingen in plaats van kleine boeren. Voornamelijk de vrouwen worden hierdoor hard getroffen, omdat zij voor de lokale consumptie zorgen, terwijl de mannen voornamelijk in de exportgerichte landbouw actief zijn. In 1998 investeerde Tanzania per inwoner nog geen zeven euro in de landbouw.

Daartegenover staat de toenemende invoer. 11.11.11 laat de Senegalees Saliou Sarr, coördinator van een netwerk van landbouworganisaties in West-Afrika, aan het woord: “De import van graanbloem, vooral uit Frankrijk, doet een teelt als sorghum verdwijnen. Nu kun je op het platteland van Senegal brood kopen dat gemaakt is van graan, hoewel we zelf geen graan verbouwen. En nog zoiets: voor het graan bestaat een invoerheffing van vijftien procent, voor de bloem zelf is dat slechts zes procent. Dat toont toch aan dat men niet de belangen van de boer, maar die van de agro-industrie verdedigt?”

Stop dumping! De jongste jaren groeide in binnen- en buitenland de eensgezindheid tussen de derdewereldbeweging en landbouworganisaties over de nefaste gevolgen van vrijhandel voor landbouwers in Noord én Zuid. Het Europees landbouwbeleid werd als model naar voor geschoven waar veel arme landen zich qua strategische opstelling kunnen aan spiegelen. Maar in zijn nieuwe campagne hakt 11.11.11 toch weer fors in op de subsidies die onze land- en tuinbouwers vangen. Het Europees landbouwbeleid is de oorzaak van de honger in het zuiden, luidt de striemende titel van een campagneartikel. 11.11.11 merkt op dat de jongste landbouwhervorming in Europa productie noch subsidies substantieel heeft afgebouwd. “De Europese Unie blijft ondanks de daling van de exportsubsidies haar producten uitvoeren onder de productiekost. Boeren subsidiëren mag, dumpingpraktijken organiseren niet”, stelt de koepelorganisatie. Zowel terminologie als boodschap zijn in nogal wat landbouwmiddens moeilijk verteerbaar.

11.11.11: “De EU wil tegelijk haar landbouw beschermen, de subsidies behouden én ook de afzetmarkten voor haar producten. Die marktopening zoeken de Europese onderhandelaars zowel binnen als buiten de Wereldhandelsorganisatie”. Vooral de ACP-landen dreigen de dupe te worden van regionale onderhandelingen. Deze vroegere kolonies van Europa kunnen al dertig jaar onder gunstige voorwaarden hun producten op de Europese markt afzetten. Die gunstregeling loopt af eind 2007. De EU wil ze niet meer verlengen, maar stelt in de plaats zogenaamde Economische Partnerschapsakkoorden voor aan 75 ACP-landen. Het gaat over vrijhandelsakkoorden waardoor in tien à vijftien jaar tijd elke bescherming van vrijwel alle producten moet verdwijnen. Dan moet de Senegalese ajuinboer in rechtstreekse concurrentie treden met de industrieel geteelde ajuinen uit Europa, vrezen de NGO’s.

Om zijn argumenten te staven, heeft de derdewereldbeweging een vette kluif aan de goedkope invoer van bevroren kippendelen in Kameroen. De jongste tien jaar worden kippendelen die niet geliefd zijn bij de Europese consument en die vroeger vooral terechtkwamen in honden- en kattenvoer geëxporteerd naar het zwarte continent, luidt de aanklacht. De Afrikaanse kip is een stuk duurder dan de ingevoerde omdat men ze op een kleinschalige manier kweekt, van het platteland naar de stad moet brengen en in zijn geheel verkoopt. Op zes jaar tijd verdween 92 procent van de Kameroense kippenkwekers, beweert 11.11.11. De organisatie Association Citoyenne de Défense des Intérêts Collectifs schat dat per ton ingevoerde kip een kwekerij van vijfhonderd kippen de deuren moet sluiten. Alleen al in 2003 gingen op die manier in Kameroen 110.000 arbeidsplaatsen verloren, becijferden de NGO’s.

Het ‘industriële’ monster

En wie heeft daar baat bij? Niet de familiale boer in Europa, klinkt het. “We zijn nog ver verwijderd van de ‘milieuvriendelijke familiale niet-handelsverstorende landbouw’ die de Europese Commissie soms afficheert”, meent 11.11.11. Daarbij wordt nog eens het verhaal opgedist van de grote agro-bedrijven die veel meer subsidies krijgen dan kleine landbouwers. “In België ontvangt de onderste helft van de boeren één tiende van de directe steun en het bovenste tiende de helft. Het meeste geld komt terecht bij grote industriële en verwerkende landbouwbedrijven, niet bij de familiale boeren die de steun het meest nodig hebben. De scheve verhouding is des te frappanter als men beseft dat er in Europa elke minuut een landbouwer uit het beroep stapt”, redeneert 11.11.11. Maar ook over die analyse bestaat geen eensgezindheid in de landbouwsector.

aan VILT ontleende bijdrage, oktober 2006



Facebook Twitter Pinterest