Missie en visie

Missie:

Recht op gezonde voeding hangt samen met een gezonde bodem en een warme, inclusieve samenleving. Wervel brengt mensen hiervoor samen, breidt zijn netwerken uit en creëert maatschappelijk draagvlak. Wervel baseert zich op inzichten van pioniers, legt verbanden, doet aan lobbywerk rond concrete dossiers en biedt haalbare antwoorden op “en wat kan ik daar aan doen?”

 


Visie:

Wervel komt op voor een eerlijke landbouw die eerst en vooral voor voedsel zorgt dat, eerlijk verdeeld, een evenwichtige en smakelijke voeding mogelijk maakt.

Eerlijke landbouw

Landbouw is de zorg voor het land (bodem, water, biodiversiteit, klimaat, met andere woorde de natuur) - ten bate van levensbehoeften, in een vorm die groepen en samenlevingen eraan hebben gegeven, met andere woorden als cultuur.

De huidige landbouw beantwoordt niet aan die bepaling. Wat het land, de natuur betreft, zijn zowel de traditionele hak-landbouw als de moderne tractor-landbouw, mede door de bevolkingsgroei, wereldwijd verworden tot roofbouw, met als gevolgen: erosie, humusverlies, uitgedunde biodiversiteit, klimaatschaos. Wat de behoeften, de cultuur  betreft, groeit de honger in de wereld en gaat de voedselsoevereiniteit, dat is de voorziening in streekeigen voedsel, gestaag achteruit.

De oorzaken daarvan, naast de al genoemde bevolkingsgroei, zijn verscheiden: landbouwtechnisch, (bv. gemechaniseerde monocultuur), economisch (bv. vrije markt), juridisch (bv. grondbezit), enzovoort. De oplossingen die de gevestigde belangengroepen en overheden voorstellen, onder meer naar aanleiding van voedselcrisissen, gaan steevast in de richting van meer-van-hetzelfde.

Wervel zoekt naar diepere oorzaken en die zijn maatschappelijk (bv. ongelijke verdeling van grond en van oogst) en cultureel (bv. de opvatting dat de waarde van de grond en het voedsel in geld is uit te drukken). Wervel komt daardoor tot een fundamentele ethische opstelling die gaat van ‘hoe eerlijk is de huidige prijsvorming van inputs en outputs?’ tot ‘kunnen grond en voedsel een prijs krijgen?’

Vanuit die systeemdoorbrekende opstelling komt Wervel tot het besluit dat de landbouw weer in boerenhanden moet komen.

Dat betekent dat Wervel niet graag ziet dat de trend naar megabedrijven zich doorzet, zeker als die vroeg of laat gepaard gaat met overname door financiële groepen. We hebben dus geen terugkeer naar keuterboertjes op het oog. Naar boven toe stellen we a priori geen grenzen aan de schaalgrootte. Als er dan al een bovenste grens zou zijn, dan volgt die uit onze voorkeur voor autonomie op het niveau van de boerderij, namelijk niet groter dan wat de feitelijke uitbaters autonoom aankunnen.  

‘In boerenhanden’ betekent niet dat landbouw uitsluitend en alleen bij gevestigde landbouwers zou moeten blijven. Er dient plaats te zijn voor ‘nieuwe’ boeren.  Ook eigenvoorziening dient in beeld te komen, niet als een retro-zelfvoorziening op het niveau van de overleving (auto-subsistentie), maar als een onderdeel van een vernieuwende levensstijl.

Zowel gevestigde als nieuwe boeren kunnen best divers zijn qua teelten, teeltwijzen, technieken, schaal, financiering, grondbezit en -gebruik, afzet, ...


Eerlijke voeding

Wervel komt op voor ‘echt’ eten: herkenbaar, seizoensgebonden, vers, gezond, enzovoort. Dat is niet alleen milieu- en klimaatvriendelijk, maar ook mensvriendelijk, zowel voor diegenen die het voedsel voortbrengen en verkopen als voor diegenen die het bereiden en eten volgens hun eigen cultuurgebonden smaak.

In die ommekeer van een kunstmatige, met smaakstoffen en kruiden opgepepte ‘malbouffe’ voeding naar een zuivere, gezonde voeding ziet Wervel de korte voedselketen in de eerste linie staan. Korte voedselketen zien we zowel in de betekenis van ‘op korte afstand’ (voedselkilometers) als ‘met zo weinig mogelijk tussenschakels’. Beide hoeven niet krampachtig voor alle goederen en diensten die een boerderij levert en ook niet voor alle boeren. Ook hier is plaats voor diverse vormen: hoeveverwerking en -verkoop, boerenwinkels en -kramen, voedselteams, lokale producten in supermarkten, enzovoort.

Daardoor, dat is door dichter ‘bij de boer’ te komen, zullen de klanten hun vraag naar heerlijke voeding als vanzelf aanvullen met aandacht voor eerlijke voeding, onder meer vanuit een ‘denk globaal –eet lokaal’ besef: de planeet en de wereldbevolking zijn beter af als wij (én zij, elders op de planeet) producten van de plaatselijke landbouw gebruiken. Wat dierlijke producten betreft, houdt dat ook in dat het voeder van de dieren niet van over de oceanen wordt aangevoerd ten koste van milieu en klimaat en ten koste van de voeding van de plaatselijke bevolking ter plaatse.


Lokaal verankerde landbouw in Vlaanderen

Vlaanderen is eigenlijk een grote stad: overal verharde wegen, elektriciteit, bijna overal stromend water en riolering, op maximum 500 meter openbaar vervoer. Toch houden we nog vast aan ‘buitengebieden’ en ’platteland’.

De buitengebieden worden ruimtelijk geordend door de overheid met zones voor wonen, industrie, handel, recreatie, natuur en landbouw, en voor die laatste twee ook hier en daar verwevingsgebieden.

Kunnen die schotten niet opgeheven worden? Mag in de gebieden die niet als natuur, landschap of landbouw zijn geklasseerd, de grond letterlijk en figuurlijk gebetonneerd worden? Waarom moet ‘natuur’, die eigenlijk eeuwen lang voor een groot deel door de landbouw in stand is gehouden, nu afgesplitst worden om ze achteraf toch maar weer door boeren te laten ‘beheren’? In de plaats van ‘natuur en landbouw’ stelt Wervel ‘landbouw in natuur’ en ‘natuur in landbouw’ en zet zich daarom achter eeuwenoude en tegelijk innovatieve teeltsystemen als agroforestry.

Agroforestry, de verweving van bosbouw en landbouw, of althans de integratie van houtachtige stroken in velden en weiden, is maar een voorbeeld, op perceelsniveau, van ruimtelijke verankering van landbouw, d.i.verankering in een ruimte, landschap, biotoop, die al bestaat of ontwikkeld wordt in plaats van enerzijds landbouw te bannen uit zones met andere bestemmingen en anderzijds landbouw te bedrijven op velden en weiden zonder grachten of bomen.

Naast ruimtelijke, is er ook plaats voor sociale verankering. Het platteland is al lang niet meer ‘plat’, d.i. alleen maar landerijen met hier en daar een boerderijtje en een dorp rond de kerktoren. Stadsbewoners zijn ‘op den buiten’, d.i. buiten de stad, komen wonen. Ze hebben wel alle voorzieningen meegebracht van huizen met gazons en borders over garages en benzinestations tot ontmoetinscentra. Die inwijkelingen en diegenen die nog in de stad zijn gebleven, komen ook in de toch nog min of meer open ruimte voorbij op de auto(snel)wegen of ze komen er paard of mountainbike rijden of ze komen er met vakantie of ze rekenen op een groen landschap.

De landbouw en de landbouwers hebben zich daar bij neergelegd en zich aangepast. Dat betekent voor de meesten onder hen dat ze gewoon gestopt zijn met boeren en voor de overgeblevenen dat ze zich – tenminste beroepsmatig – teruggetrokken hebben op hun landerijen en stallen en daar hun beroep uitoefenen  waarvan ze het product verkopen op de anonieme markt.

Maar er is een tegenbeweging: boeren die opnieuw áls boeren met hun buren samenleven. Ze spelen in op nieuwe behoeften, persoonsgerichte zoals toerisme, zorg en educatie, maar ook natuurbeheer, energievoorziening, enzovoort. Die activiteiten kregen de naam ‘verbreding’. Er zijn ook initiatieven van ‘verdieping’, dat is meer meerwaarde uit de eigenlijke landbouw halen, stroomopwaarts door de inputs zoals mest en voeder van de eigen boerderij of van een koppelbedrijf te halen, stroomafwaarts door verwerking en verkoop toe te voegen. Ten derde komen er initiatieven van herfundering op gang zoals een nieuwe financiële en organisatorische basis door deelname van niet-boeren in de investering, of verzekerde afname, of zelfoogst.

Zonder alle landbouwers met al die nieuwigheden te willen opzadelen, gelooft Wervel toch dat meer en meer boeren op een of andere manier in de aangegeven richting zullen gaan en zo de landbouw in Vlaanderen zullen kunnen redden van de industrialisering of van de verdwijning door hem te verankeren in het verstedelijkte Vlaanderen, en meer bepaald door te voorzien in kwaliteitsvol, veilig, gezond en gevarieerd voedsel.

Dat kan natuurlijk maar succesvol gebeuren als er tegelijkertijd een tegenbeweging op gang komt vanuit de vraagzijde. Dat kan vanuit verschillende hoeken gebeuren: van zorg voor milieu en klimaat over een herwaardering van authentieke smaken, tot spirituele herbronning. Vanuit al die invalshoeken kan stilaan het inzicht ontstaan dat de manier waarop we ons voeden, bepalend is voor de manier waarop we aan landbouw doen of laten doen. Diegenen die niet tevreden zijn met wat via de anonieme (wereld)markt in hun winkelkarretje en koelkast belandt, maar willen weten wat, en vooral van wie ze eten, zullen als buren hun boeren koesteren.


Lokale verankering in een globale wereld

Lokale verankering in Vlaanderen houdt geen afscherming in. De indruk zou kunnen ontstaan dat we een graad van ‘ontwikkeling’ hebben bereikt waarin we ons nu zelfvoldaan nestelen.

Ten eerste, is het de vraag of we zelfvoorzienend kunnen zijn voor voedsel, laat staan voor andere goederen en diensten die de landbouw levert.

Ten tweede, zien we het nabijheidbeginsel niet als een absolute stop van voedselinvoer. Wat de internationale handel betreft, ziet Wervel geen heil in de liberalisering in de lijn van de wereldhandelsorganisatie. Wervel komt op voor eerlijke handel, zowel voor invoer als voor uitvoer en zowel voor verkopers als kopers, onder meer via fairtradesystemen waarbij de plaatselijke boeren en gemeenschappen recht wordt gedaan.

Ten derde en vooral, als we vanuit globaal denken tot lokaal boeren en lokaal eten komen, dan geldt dat overal en voor iedereen. Dat is pas eerlijk.

Facebook Twitter Pinterest