|
|
|
|
Beschouwing van Focus on the Global South, 1-8-2004 |
Bezig aan een WTO-ronde die rampzalig zal zijn voor de armen
De uitkomst van de krachtmeting – een ondoorzichtig en sommige partijen
uitsluitend proces van onderhandelingen – is een raamovereenkomst die
de belangen van de sterken beschermt.
Binnen de landbouw is de raamovereenkomst een wettig instrument voor de
VS en de EU om hun subsidies in stand te houden. Het is niet anders dan
een oefening in het van de ene in de andere doos schuiven, terwijl
ondertussen de markten van de ontwikkelingslanden worden opengebroken.
Wat betreft de tarieven voor industriële producten is er wat ruimte
voorzien voor de Cancun-tekst, die werd aangenomen en die erg in het
voordeel is van de belangen van de ontwikkelde landen, ter heropening
en heronderhandeling. Maar volgens Aileen Kwa, politiek analist bij
Focus on the Global South, "Om het in de toekomst af te zwakken zou het
toekomstige gevecht zoveel te harder zijn aangezien de gehele annex
(bedoeld is de op 31-7-2004 overeengekomen Annex die handelt over
NAMA = niet-agrarische markttoegang) een opsomming is van regels om de
markten van de ontwikkelingslanden open te trekken op een wijze die in
het voordeel is van de industrieën van de VS en de EU, maar die volgens
de ACP-landen zal leiden tot de-industrialisering." [ACP = Afrika,
Caraïben en Pacific]
Op het vlak van handelsfacilitering deden de ontwikkelingslanden
toegevingen door ingrijpende toezeggingen te doen terwijl de
[beschikbare] middelen zouden moeten worden ingezet voor meer dringende
en meer urgente zorgen.
Zoals Kwa zegt : "Alles bijeen is de tekst een rauwe transactie met het
Zuiden. Het is bezig zijn aan een Ronde die rampzalig zal zijn voor de
armen."
Voor details over de krachtmeting, de verdeel-en-heers-strategieën en
het uitsluitingsproces, die de meerderheid marginaliseerden, zie
hieronder.
Krachtmeting, steekpenningen, lokkertjes en bedreigingen door de
krachtige naties, maar ook een totaal niet-transparant proces van
uitsluiting corrumpeerden de uitkomst van het WTO-handelsoverleg (in de
week van 26-31 juli 2004) en het vermogen van de ontwikkelingslanden om
hun posities kracht bij te zetten. Hier een beeld van de toegepaste
methoden :
KRACHTMETINGEN EN STEEKPENNINGEN
intrekken van hulp
Kenia is een van de krachtigste woordvoerders in de zaak van de
ontwikkelingslanden. Enkele dagen voor de juli-vergadering van de WTO,
trok de EU zijn hulp in (op 21 juli) ten bedrage van maar even 60,2
miljoen dollar. De reden die werd gegegeven was "de overheersende
bestuurssituatie in Kenia", in verband met de wijze waarop de regering
een corruptiezaak had afgehandeld. Informele bronnen veronderstelden
dat de EU liever niet had dat Kenia "te zelfverzekerd" zou zijn tijdens
het overleg.
Dit strookt met de uitspraak van Patricia Hewitt, minister van handel
van het VK, dat "het Verenigd Koninkrijk zijn invloed gebruikt om
ontwikkelingslanden ervan te overtuigen dat een overeenkomst in hun
belang is."
het temmen van de Afrikanen met AGOA III
AGOA is een belangrijk lokmiddel voor sommige kernlanden in Afrika. De
Afrikaanse exporten naar de VS namen met 55% toe. De exporten van Kenia
naar de VS onder AGOA verdrievoudigden bv. van 45 miljoen dollar in
2001 naar 150 miljoen dollar in 2003. Onder AGOA II moet er een einde
komen aan de import van stoffen en garens uit andere landen dan de VS.
Dit was een grote zorg voor de Afrikaanse landen omdat de meeste niet
langer lokaal hun eigen katoen kunnen verbouwen (als gevolg van de
VS-subsidies aan hun katoenboeren) en uit de VS geïmporteerde garens te
duur zijn.
Uitgerekend twee weken voor de juli-vergadering van de WTO bekrachtigde
president Bush de AGOA III wetgeving (op 13 juli) waardoor de
voorzieningen van AGOA werden verlengd van 2008 tot 2015 (AGOA = Africa
Growth and Opportunities Act). De wetgeving voorziet erin dat
Afrikaanse landen nog eens drie jaar kunnen voortdoen met het
importeren van grondstoffen afkomstig van een "derde partij". Dit werd
verpakt als een aanzienlijke toegeving aan Afrikaanse landen zoals
Kenia. Twee voorstanders van het katoen-initiatief doen ook mee in AGOA
– Benin en Mali. De andere landen die in aanmerking komen om textiel te
exporteren naar de VS onder AGOA zijn Ghana, Lesotho, Madagascar,
Malawi, Mauritius, Mozambique, Niger, Rwanda, Senegal, Zuid-Afrika,
Tanzania, Oeganda en Zambia.
het Millennium Challenge Account
Dit ontwikkelingssteunfonds, voor het eerst ter sprake gebracht door
Bush in 2002, komt in werking in 2004 en is als een andere wortel
voorgehouden. Dit fonds levert in 2004 voor 1 miljard dollar aan hulp
voor 16 ontwikkelingslanden. Gedurende de week van het WTO-overleg
werden door de VS naar bepaalde ontvangende landen faxen gestuurd om
hen eraan te herinneren dat ze die hulp zullen ontvangen.
WTO-lidstaten die hiervoor in aanmerking komen zijn : Benin, Bolivië,
Ghana, Madagascar, Mali, Mongolië, Mozambique, Honduras, Lesotho,
Nicaragua, Senegal and Sri Lanka. Van betekenis is dat twee van de
voorstanders van het "katoen-initiatief" ook deel uitmaken van de lijst
nl. Benin en Mali.
quota-toekenningen voor suiker
Suiker is voor sommige landen een belangrijk exportartikel. Op 23 juli,
een week voor de juli-vergadering, kondigden de VS zijn
quota-toekenningen voor suiker aan voor 40 landen. Dit systeem staat
deze landen toe om een vast quotum naar de VS te exporteren tegen een
lagere accijns. De grootste begunstigden waren : de Dominikaanse
Republiek (185.335 ton), gevolgd door Brazilië (152.691 ton), de
Philippijnen (142.160 ton), Australië (87.402 ton), Guatemala (50.546
ton) en Argentinië (45.281 ton).
visa waiver
Onderhandelingen over een visa waiver naar de VS werden afgesloten in
de eerste week van juli. Deze visa waiver werd toegekend aan Nigeria.
[waiver = verklaring van afstand]
BEDREIGINGEN
US "Food Aid"
De opheffing van de exportsubsidies werd geacht een grote concessie te
zijn van de EU tijdens die bijeenkomst. Maar dit EU-aanbod stelt niet
veel voor, immers het is afhankelijk gesteld van de wijze waarop de VS
omgaan met voedselhulp. De VS van hun kant namen hun toevlucht tot
bedreigingen om geen veranderingen te hoeven aanbrengen in hun
dumpingpraktijk van voedseloverschotten.
De ontwerptekst van 16 juli 2004 zei dat voedselhulp niet zou worden
gebruikt als een mechanisme voor "overschotverkoop".Dit houdt in dat
voedselhulp wordt geschonken bij wijze van gift. Dat betekent dat het
VS-programma volgens PL480 (Public Law 480, waaronder Food for Peace
ressorteert), waarbij aan landen leningen werden gegeven in de vorm van
voedsel, op tijden die de VS schikten, aan banden gelegd moet
worden. In antwoord hierop, schreef de USTR [US Trade
Representative, de handelsafgevaardigde van de VS] alle landen aan die
voedselhulp ontvingen overeenkomstig PL480, met de vraag om zich te
verzetten tegen de bewoordingen in de tekst. De impliciete boodschap
die zij ontvingen, was dat in die bewoordingen zij geen voedselhulp
zouden kunnen krijgen uit de VS. Bij gevolg trad er een breuk op in de
eensgezindheid van de Minst Ontwikkelde Landen en ook verschillende
andere landen zoals Mongolië, en andere ontwikkelingslanden; zij kozen
de zijde van de VS.
Japan's bilaterale hulp
Japan oefende ook druk uit op landen die deelden in haar bilaterale
hulpprogramma's. In de eerste week van juli zond Japan een delegatie
naar Genève om andere WTO-lidstaten te ontmoeten. De Japanners
vertelden aan hen die hun hulp ontvingen – hoofdzakelijk Aziatische
landen –, dat ze niet in moesten gaan tegen Japan's offensieve
belangen, inbegrepen het laten vallen van de Singapore thema's van de
WTO-agenda (investeringen, mededinging en transparantie in
regeringsbemiddeling [dit laatste slaat vooral op
staatshandelsondernemingen]). Aan hen die hulp ontvingen werd verteld
dat de steun die werd gegeven voor de ontwikkeling van hun
infrastructuur anders in het geding zou komen. Dit bracht landen ertoe
een mildere positie in te nemen nl. dat de drie thema's zouden
vervallen binnen het Doha Werk Programma, maar nog altijd zouden worden
behouden binnen de WTO.
HET PROCES VAN UITSLUITING EN EEN SYSTEEM VAN ONDER DRUK ZETTEN
uitsluiting en een proces van slikken of stikken
Gedurende de eerste helft van de week [van 26-31 juli 2004] werden de
belangrijke onderhandelingen – landbouw – uitsluitend gevoerd tussen 5
lidstaten, de VS, de EU, Australië, Brazilië en India, de zg.
niet-groep van vijf (NG5). Dit deed veel delegaties in het duister
tasten. Maar nog belangrijker was dat de hoofdbeslissingen voor de
ontwikkelingslanden werden overgelaten aan Brazilië en India. De
voorzitter van het landbouwoverleg, de ambassadeur van Nieuw-Zeeland,
Tim Groser zei achteloos dat hij bezig was "politieke leiding" te
ontvangen van de vijf "betrokken partijen". Zoals een afgevaardigde van
een ontwikkelingsland het uitdrukte : "Wij zijn allemaal betrokken
partijen!" Zambia's ambassadeur Love Mtesa omschreef de situatie
alsvolgt : "Je wordt buiten beeld gehouden en bent slechts afhankelijk
van zo nu en dan uitgereikte mededelingen . . . . inzake overleg zoals
dit zou behoren plaats te vinden ten overstaan van een publieke
tribune. Er zijn ernstige kloven [verschillen van inzicht] en daar moet
passend mee worden omgegaan."
Het herziene 30 juli-ontwerp was het werk van Groser en de uitkomst van
de informele en niet in een verslag vastgelegde discussies in de NG5.
Het feit dat zij werden uitgesloten [van overleg] was ernstig in het
nadeel van de ontwikkellingslanden, die niet de gelegenheid hadden hun
posities te benadrukken.
Het 30 juli-ontwerp werd dan verder besproken door een groep van 20
landen in een binnenskamersoverleg dat duurde van vrijdagavond 30 juli
tot 8 uur de volgende ochtend. De 20 landen bleken het ontwerp te
onderschrijven. Hun amendementen werden teruggekoppeld naar de
verschillende groepen – Afrika-groep en de Minst Ontwikkelde Landen,
G20 en G33. Echter, in de sfeer van het onder druk zetten van landen en
met de mededeling aan hen dat de meer invloedrijke ontwikkelingslanden
(in de G20) de tekst reeds hadden aanvaard, was verwerping door een
kleine speler uiterst moeilijk.
De landbouwtekst kreeg dus het goedkeuringszegel zelfs al was de tekst
een regelrechte bescherming van de subsidies van de VS en de EU.
intense druk achter de schermen : katoen
Samen met lokkertjes en smeergelden bestond de andere tactiek erin de
onderhandelaars van de ontwikkelingslanden uit te putten en hen
achter de schermen onder druk te zetten. De ministers van Benin,
Burkina Faso, Mali en Tsjaad, voorstanders van het het
Katoen-initiatief waren voor een tussenstop in de VS uitgenodigd,
voorafgaand aan Genève. Hen werd samenwerking met de VS in het
vooruitzicht gesteld op de terreinen van biotechnologie en technische
bijstandsprogramma's.
Op woensdag 28 juli riep Benin als groepsvertegenwoordiger op voor een
persconferentie om hun verwachting [de verwachting van de landen van
het katoen-initiatief] te benadrukken dat katoen vlug zou worden
afgehandeld. Zij zeiden dat zij plooibaarheid hadden getoond door ermee
in te stemmen dat katoen deel zou uitmaken van het landbouwoverleg,
maar wilden wel dat het met de meeste spoed zou behandeld worden.
Donderdagavond werden de vier ministers voor beraad samengeroepen bij
de US Trade Representative Zoellick. De ontmoeting duurde tot vier uur
de volgende ochtend, toen een of ander "compromis" was bereikt. Na deze
gesprekken werd vervolgens het 30 juli-ontwerp om 7 uur vm bekend
gemaakt. De tekst verschilde niet van de oude – die de VS-positie omvat
die hierin bestaat dat zij 3,7 miljard dollar geven aan 25.000 boeren
zonder enige bescherming te bieden voor 12 miljoen West-Afrikaanse
boeren. Het enige verschil was de belofte dat de WTO een subcommissie
over katoen in het leven zou roepen om de situatie opnieuw te bezien !
In de ontmoeting op vrijdag van de Hoofden van Afvaardiging sprak Benin
lovend over de tekst ! Die avond werd er een andere persconferentie
belegd door de Katoen-voorstanders. Ditmaal was de woordvoerder van
Benin nergens te bekennen. In plaats daarvan sprak namens haar de
nieuwe handelsminister van Senegal en verwelkomde de nieuwe tekst.
geen tijd om de tekst te bestuderen of om ruggespraak te houden met hoofdsteden
De eindtekst verscheen op 31 juli 20 uur. Een ontmoeting van de Hoofden
van Afvaardiging vond plaats om 22 uur. De gedelegeerden hadden niet
genoeg tijd om de tekst terug te koppelen naar hun hoofdsteden of met
hun deskundigen overleg te plegen. De tekst werd aangenomen rond
middernacht. Het is duidelijk dat de voortgang zo gehaast was dat de
onderhandelaars geen tijd hadden om de tekst volledig te bestuderen en
nog minder voor een passend debat met de achterban thuis.
VERDEEL-EN-HEERS-TACTIEKEN
het breken van de eenheid van de Afrika-groep
De Afrika-groep was het slachtoffer van verschillende vormen van
verdeel-en-heers-tactieken. Een van de onderhandelaars van de Minst
Ontwikkelde Landen zei dat sommige Afrikaanse lidstaten waren
gecoöpteerd en werden gebruikt om de eenheid in de Afrika-groep te
breken.
"De groep was gepenetreerd. Ze hebben op bepaalde mensen in Genève
ingewerkt, die daarna werden gebruikt om de groep in verwarring te
brengen. Het was daarom moeilijk om consensus te bereiken in de G90 en
de Afrika-groep. Inzake katoen waren bv. sommige ambassadeurs
gecoöpteerd en hen was verteld niet verstorend te zijn."
Er was ook sprake van een zorgvuldige selectie bij de samenstelling van
de landen die zouden samenkomen voor overleg. Zij die de bijeenkomsten
organiseerden, nodigden Afrikaanse landen uit die al van gedachten
veranderd waren inzake hun standpunt tijdens de Cancun-gesprekken en
plaatsten die samen met hen die heftig tegengesteld waren. Het bj de
beraadslagingen bijeen plaatsen van de twee groepen droeg bij aan de
afbraak van de Afrika-groep. Het drukte ook de stemming bij de groep.
Volgens een van de gedelegeerden :
"Wat zij (de sterke landen) de Afrika-groep aandoen, is erg slecht. Zij
pogen ze tegen elkaar op te zetten. Zij regelen kleine groepsgesprekken
en pikken de Afrikalanden eruit die heftig gekeerd zijn tegen de
NAMA-tekst (Non Agricultural Market Access = niet-agrarische
markttoegang) en zetten ze in een ruimte met andere Afrikanen die zeer
plooibaar zijn. Dit is de tactiek. Natuurlijk doet dat de Afrikaanse
eenheid geen goed als de één ja zegt en de ander neen; ze komen uit
dezelfde regio."
uitsluiting van de openhartigen in het besluitvormingsproces
In de tweede helft van de week vonden de hoofdonderhandelingen met
ongeveer 20 landen binnenskamers plaats en dat duurde tot in de
ochtend. En opnieuw waren volgens zeggen de Afrika-vertegenwoordigers
zorgvuldig uitgekozen.
"Het thema van de vertegenwoordiging speelt een rol. Sommige van de
meer welbespraakte landen waren niet uitgenodigd voor de besloten
gesprekken. Zij pogen te verzekeren dat wij nergens een kans krijgen om
te spreken. De Afrika-groep was bv. vertegenwoordigd door Mauritius en
Marokko bij [het overleg over] handelsfacilitering. Maar die landen
staan niet aan onze kant. Daarom gaan de dingen niet goed. Zo is hun
strategie."
|
|
|
|