|
|
|
|
hoe overvloed door subsidies verandert in gebrek |
Internationale regels voor landbouw hebben dikwijls perverse gevolgen
voor kleine boeren en consumenten. De WTO-formules voor beoordeling van
prijsondersteuningssystemen kunnen misleidend zijn zoals uit het
onderstaande blijkt. In het geval van India kunnen zulke regels worden
ingepast in een reeks beleidsmaatregelen die zowel op de buitenlandse
als op de binnenlandse markt prijsverstoringen voortzetten, een klein
aantal boeren bevoordelen ten koste van de meesten en consumenten te
kort doen. Een effectief landbouwbeleid zou schaarse middelen kunnen
inzetten voor ontwikkeling van infrastructuur voor kleine boeren of
voor andere dan prijsondersteuning in de landbouw.
Onderstaande tekst van Milind Murugkar gaat in op de prijs van
protectionisme : hoe een arm land buitenlandse consumenten subsidieert
ondanks honger in eigen land.
Terwijl miljoenen en miljoenen arme Indiërs iedere dag met honger gaan
slapen, heeft de Indiase regering voedselgranen geëxporteerd aan een
prijs die veel lager is dan de armsten in eigen land ervoor moeten
betalen aan gesubsidieerde prijzen in eerlijkeprijzenwinkels, die
draaien onder het Openbaar Distributie Systeem.
Dit tragisch en ironisch exportbeleid is al vier jaar aan de gang.
In 1971 produceerde India 65 miljoen ton tarwe en rijst. In 2001 is
bijna eenzelfde hoeveelheid opgeslagen voedselgranen weggerot in de
opslagplaatsen van de Food Corporation of India (FCI), een
staatsbedrijf. Een van de belangrijkste redenen hiervoor is de
politieke druk van boerenlobby's, hoofdzakelijk uit de staten Punjab en
Haryana, beide bevoordeeld door de Groene Revolutie. Deze lobby's
hebben druk uitgeoefend op de regering om alsmaar hogere
prijsondersteuning te bieden voor twee hoofdteelten van deze
groene-revolutie-gebieden, nl. tarwe en rijst.
Ieder jaar vóór de moessonregens kondigt de regering van India
minimumsteunprijzen (Minimum Support Prices (MSP) af voor de meeste
landbouwproducten. De boeren kunnen voor hun productie verzekerd zijn
van deze MSP. Als de binnenlandse prijzen onder deze
minimumsteunprijzen zakken, springt de regering bij en koopt de
productie aan tegen de MSP.
In theorie is het MSP-mechanisme van toepassing op heel de
landbouwproductie. Maar in praktijk hoeft de regering alleen maar in te
springen voor tarwe en rijst, omdat de steunprijzen voor de andere
producten in het algemeen lager zijn dan de heersende marktprijzen.
Vandaar dat de opslagplaatsen van de FCI alleen maar volzitten met
enorme bergen tarwe en rijst.
Maar landbouw op geïrrigeerde gronden is maar een deel van de Indiase
landbouw. Het merendeel , dat toebehoort aan de meerderheid van de
armsten van de samenleving is landbouw afhankelijk van de lokale
neerslag en dus zonder bevloeiing. Dat deel maakt meer dan 60% van de
bebouwbare gronden van het land uit. Zodoende hebben de steunprijzen
voor tarwe en rijst, die de zaak scheef trekken, een nadelig effect op
de groeikansen van de armen in de niet geïrrigeerde landbouw van India.
De bekende Indiase econoom Abhijeet Sen heeft in dit verband groot
gelijk. Hij vestigt de aandacht op het negatieve effect van de in het
recente verleden toegenomen MSP, speciaal voor tarwe en rijst. Toen de
wereldprijzen toenamen, zijn ook de MSP voor tarwe en rijst scherp
toegenomen. Zij stegen zelfs nog naar een hoger niveau toen de
wereldprijzen daalden. Dit beleid werd beïnvloed door de politieke
invloed van de verschillende landbouwlobby's, zodat de
gelijkwaardigheid van de prijzen tussen de verschillende teelten
aanzienlijk wijzigde zonder dat er noodzakelijk een verband was met
binnenlandse productiekosten of wereld[markt]prijzen. Deze krachtige
politieke lobby's van boeren maakten zich sterk door te wijzen op
subsidiesystemen in ontwikkelde landen. Zo heeft het protectionisme in
de ontwikkelde landen het tegen de armen gerichte protectionistische
beleid gelegitimeerd in een arm land als India.
Er is nog een belangrijk punt en dat houdt verband met de wijze waarop
de WTO subsidies beoordeelt, het zg. Aggregate Measure of Support
[AMS]. In de jaren 1980 kende India sterke boerenbewegingen. In
verschillende staten van het land doken krachtige boerenorganisaties
op. Zij vroegen om kostendekkende en lonende ondersteuningsprijzen voor
de landbouwproductie. De vraag vond zijn rechtvaardiging in de
belastingheffing in de landbouw. Eén belangrijk aspect in deze
belastingheffing was, zo werd betoogd, het opleggen van een
exportverbod op landbouwproductie. Dit dwong de boeren om hun producten
te verkopen aan een prijs die lager was dan die zij zouden kunnen maken
op de internationale markt.
Toen echter in april 1994 de WTO-Overeenkomst inzake Landbouw werd
getekend, waren de meningen verdeeld. Een van de sterkste organisaties
met zetels in Maharashtra, Gujarath en Punjab, steunde het
regeringsbesluit om de overeenkomst te tekenen. In die tijd hadden de
boeren ook schrik dat hun subsidies drastisch zouden afnemen vanwege de
WTO. Maar de AMS gedurende de basisperiode (zoals bepaald in de
Overeenkosmt bij de WTO) was voor de Indiase boeren negatief. En nog
een lange tijd daarna bleef zij negatief. De organisaties die voor de
WTO waren geweest redeneerden daarom dat zij door de WTO bevestigd
werden in hun opvatting van 'negatieve subsidie' (inhoudende
belastingheffing, zijnde potentieel inkomensverlies door exportverbod).
Vandaar hun argument dat de toepassing van de overeenkomst de boeren de
voordelen zou bieden van de internationale markten. Iets wat lang
geweigerd was door het tegen de handel gerichte socialistische
binnenlandse beleid.
Het onderwerp van 'negatieve subsidie' beheerste het gesprek over het
landbouwbeleid gedurende lange tijd en doet dat zelfs nu nog. Dit
overtrekken van het het 'negatieve subsidie'-thema heeft veel kwaad
gedaan aan een serieus politiek gesprek, omdat de uitleg van een
'negatieve AMS' verkeerd was. De cijfers van negatieve subsidies die
resulteerden uit de WTO-berekeningsmethode, waren in feite niet
realistisch. Zij gaven geen beeld van de belastingheffing op de Indiase
landbouwers. Het is interessant om te zien hoe dit in elkaar zit.
Stel dat een grondstof de boeren 10 roepie per kg oplevert op de
binnenlandse markt van India in de jaren 1986-'88 (dit waren de
referentiejaren, die de basis vormden voor de berekening van de
subsidies volgens de WTO). In die periode was de regeringssteunprijs –
nemen we aan – 7 roepie per kg, wat betekent dat, als de marktprijs
daalt onder de 7 roepie per kg, de regering verplicht is de hele
productie van de boeren te kopen aan 7 roepie per kg.
Stel nu dat de internationale prijs voor deze grondstof gedurende
diezelfde periode 11 roepie per kg was. De WTO beschouwt nu als
subsidie op dit product de prijs die de regering op de binnenlandse
markt garandeert minus de internationale prijs. In dit geval is dat
minus 4 roepie. Men legde dat uit als een verlies van 4 roepie per kg
voor de boer als gevolg van de overheidstussenkomst. Was de markt open
geweest en had de regering geen exportverbod opgelegd, dan zouden de
boeren hebben gewonnen door de exporten.
Wat hier vergeten wordt, is dat de boeren 10 roepie ontvingen op de
binnenlandse markt. Maar de methode van de WTO brengt niet de prijs
op de binnenlandse markt in rekening maar de steunprijs van de
regering. In feite legden de boeren er 1 roepie per kg op toe en geen 4.
Maar het is nog erger . . . stel dat in 1995 (negen jaar na 1986) de
prijzen op de internationale markten instortten, en dat is feitelijk
gebeurd, zeg tot 5 roepie per kg en de regering beschermt de boeren
door tariefsverhoging in de vorm van een steunprijs van 6 roepie per
kg. Men zou nu verwachten dat de subsidie positief uitpakt (6-5=+1).
Maar opnieuw, de WTO-methode vergelijkt niet de huidige steunprijs met
de huidige internationale prijs. Neen, de huidige steunprijs wordt
vergeleken met de internationale prijs tijdens de referentiejaren
1986-'88. Opnieuw blijkt de subsidie negatief uit te pakken (6-11= -5).
(Economisch heeft het geen zin . . . Ik vermoed dat de methoede nu
veranderd wordt.) Enerzijds bleven de internationale prijzen dalen
hoofdzakelijk vanwege de subsidies in de ontwikkelde landen en
anderzijds beschermde de Indiase regering zijn boeren met een
toenemende steunprijs, en de boerenorganisaties gingen door met de
regering te beschuldigen van het belasten van de landbouw [dwz. de
subsidie als negatief af te schilderen op grond van de rekenwijze van
de WTO]. Dit misverstand rechtvaardigde toenemende steunprijzen als de
belanrijkste en wettig toegestane manieren van
landbouwersondersteuning. Natuurlijk profiteerden de sterkste
boerenlobby's ervan.
Abhijeet Sen wijst erop dat het royale MSP-beleid voor tarwe en rijst
niet alleen tot gevolg had dat er meer dan noodzakelijk werd ingekocht
door de Food Corporation of India (FCI) maar ook dat de marktprijzen
scherper stegen dan die van de meeste andere landbouwgrondstoffen.
Omdat granen een aanzienlijk deel uitmaken van het voedselpakket van
landarbeiders, was dit in het nadeel van deze mensen.
Erkenning van de vraag om toenemende MSP als belangrijkste vorm van
steunvoor de landbouwer kan een klein deel van de gegoeden en een
politiek sterke sector van de boeren tot voordeel strekken. Voor het
overige gaat het ten koste van kleine en arme boeren enerzijds en
consumenten anderzijds. De voedselzekerheid en de ontwikkeling van de
kleine boeren in een landbouw die het moet hebben van de plaatselijke
neerslag is afhankelijk van de toenemende opbrengsten van de teelten
waarmee zij bezig zijn. Maar de opbrengstgroei van deze teelten is aan
het dalen als gevolg van afgenomen openbare ondersteuning.
Terwijl de groei van de landbouw van de armen voortdurend te lijden
heeft aan een gebrek van passende fondsen voor infrastructurele
ontwikkelingen zoals irrigatie, wegen, opbouw van
onderzoeksfaciliteiten en zulke dingen, gaat men door met het
verspillen van schaarse openbare middelen voor een projectgericht
beleid dat ten goede komt aan een luttel percentage van gegoede boeren.
Om af te komen van de enorme voorraad rijst die een gevolg was van de
royale MSP, heeft de Indiase regering resp. 2,09; 6,31; 14,86 en 8,33
miljoen ton rijst in vier achtereenvolgende jaren geëxporteerd.
Gemiddeld leverde dat een prijs op van slechts 60% van de prijs die de
armste sector van de Indiase samenleving moest betalen in de
eerlijkeprijzenwinkels van de regering, die draaien onder het Openbaar
Distributie Systeem. Deze gesubsidieerde export ten koste van miljoenen
hongerigen thuis komt ten goede aan de rijke consument in het
buitenland.
Het is jammer dat tot nu toe de meeste van de Indiase NGO's en CSO's
van het land zijn blijven zwijgen over zo'n belangrijke zaak. Geen van
deze organisaties hebben gevraagd om radicale hervormingen in het
steunbeleid van de Indiase landbouwers. Wat nodig is, is een
verschuiving van prijsondersteuning naar niet-prijsondersteuning ten
gunste van de arme landbouwers. Maar deze vraag wint alles behalve
politiek gewicht.
De redenen zijn van ideologische aard. Protesteren tegen zulk beleid
zou noodzakelijkerwijze betekenen protesteren tegen staatsinterventie
in de markt. De geest van de Indiase NGO's wordt nog steeds beheerst
door de orthodoxe 'linkse' argwaan jegens de markt [dus men blijft voor
staatsinterventie, ook al pakt die radicaal verkeerd uit]. De
goedmenende NGO's die de armen welgezind zijn, geven steun aan de
protectie ten koste van de armen. Het is een droevige contradictie.
Deze informatie werd verspreid door : Amber McNair van de University of
Toronto in samenwerking met the Munk Centre for International Studies
en Wayne Roberts van de Toronto Food Policy Council, in partnerschap
met de Community Food Security Coalition, World Hunger Year, en
International Partners for Sustainable Agriculture.
(vertaling door Gert Coppens, 2004-07-14)
|
|
|
|