Ongeveer driekwart van de ondervoede mensen zijn plattelandsbewoners, meestal
boeren. En dat terwijl uitgerekend zij voedsel produceren. De boeren bevinden
zich vaak in deze paradoxale toestand door een moeilijke toegang tot vruchtbare
gronden, water, kredieten en zaden. Voeg daar een gebrekkige infrastructuur,
beperkte transportmogelijkheden en een falende marktwerking aan toe. Het algemeen
onderwijsniveau is meestal bedroevend en met de landbouwvoorlichting is het
niet beter gesteld. Nationale overheden hebben vaak andere prioriteiten. Niet
zelden beperkt het landbouwbeleid zich tot het wegwerken van douanetarieven
zodat de bevolking van de aanzwellende steden aan spotgoedkoop importvoedsel
raakt. Vooral daar knelt volgens de Leuvense landbouweconoom Eric Tollens het
schoentje.
11.11.11 meent dat veel kleine boeren in ontwikkelingslanden in een neerwaartse
spiraal gesukkeld zijn door de Groene Revolutie die tussen 1950 en 1975 aan de
wieg stond van de moderne landbouw. Honderden miljoenen producenten hebben
nooit toegang gekregen tot het gebruik van pesticiden, kunstmest en
hoogproductieve plantenrassen. Die zorgden niet alleen voor een sterke stijging
van de productiviteit, maar ook voor een aanzienlijke daling van de
landbouwprijzen, zo luidt het. Daardoor zagen miljoenen lokale boeren in de
loop der jaren hun koopkracht dalen. Ze moesten hun veestapel verkopen, hun aankopen
inkrimpen, enzovoort. Hier krijgt de “industriële landbouw” een eerste blaam
van de Vlaamse NGO-wereld.
En dan is er de marktmacht van de grootdistributie, die ook in
ontwikkelingslanden schrikwekkende vormen aanneemt. De export van groenten,
fruit en snijbloemen van Kenia naar Europese supermarkten is goed voor 260
miljoen euro per jaar. Tot begin jaren negentig, toen deze markt nog niet zo
belangrijk was, leverde de kleinschalige familiale landbouw zo’n 70 procent van
de groenten en het fruit. Nu is dat marktaandeel verschrompeld tot 18 procent.
De rest is in handen van grote commerciële plantages (42 procent) en van
exportbedrijven (40 procent). Zij kunnen wél de uniforme kwaliteit en volumes
leveren die de Carrefour’s en Wal Mart’s van deze wereld voorschrijven.
Valse beloften van vrijhandel
Nog erger is dat ontwikkelingslanden hun markten
niet of nauwelijks kunnen afschermen voor producten uit het buitenland. Indien
de nationale overheid daar al bereid toe zou zijn, voelt ze de druk van
internationale instellingen zoals het Internationaal Muntfonds en de
Wereldbank, die de arme landen sinds de jaren tachtig structurele
aanpassingsprogramma’s opleggen. In de praktijk komt dit neer op toenemende
liberalisering en steun voor de exportlandbouw, terwijl de overheid in heel wat
landen zijn regulerende rol op het platteland heeft opgegeven. Daardoor was in
veel landen de toegang tot voorlichting, krediet en andere vormen van
landbouwsteun zoals douanetarieven tegen het begin van de jaren negentig
grotendeels weggevallen. Hoewel de Wereldbank de jongste jaren meer nadruk legt
op armoedebestrijding, houdt de instelling nog steeds geen rekening met de
landbouw en plattelandsontwikkeling in de derde wereld, aldus 11.11.11.
In Tanzania werd vóór 1985 de commercialisering en de prijsbepaling van
landbouwproducten nauwkeurig gecontroleerd door het Tanzaniaanse
landbouwministerie. Exportgewassen werden aangekocht bij landbouwers aan vaste
prijzen. Een parastatale kocht de voedingsgewassen op, stockeerde ze en organiseerde
de verkoop in de steden. Dit landbouwsysteem werd opgegeven en de laatste
twintig jaar richt de overheid zich meer op dienstverlening aan grootschalige
landbouwondernemingen in plaats van kleine boeren. Voornamelijk de vrouwen
worden hierdoor hard getroffen, omdat zij voor de lokale consumptie zorgen,
terwijl de mannen voornamelijk in de exportgerichte landbouw actief zijn. In
1998 investeerde Tanzania per inwoner nog geen zeven euro in de landbouw.
Daartegenover staat de toenemende invoer. 11.11.11 laat de Senegalees Saliou
Sarr, coördinator van een netwerk van landbouworganisaties in West-Afrika, aan
het woord: “De import van graanbloem, vooral uit Frankrijk, doet een teelt als sorghum
verdwijnen. Nu kun je op het platteland van Senegal brood kopen dat gemaakt is
van graan, hoewel we zelf geen graan verbouwen. En nog zoiets: voor het graan
bestaat een invoerheffing van vijftien procent, voor de bloem zelf is dat
slechts zes procent. Dat toont toch aan dat men niet de belangen van de boer,
maar die van de agro-industrie verdedigt?”
Stop dumping! De jongste jaren groeide in binnen- en buitenland de
eensgezindheid tussen de derdewereldbeweging en landbouworganisaties over de
nefaste gevolgen van vrijhandel voor landbouwers in Noord én Zuid. Het Europees
landbouwbeleid werd als model naar voor geschoven waar veel arme landen zich
qua strategische opstelling kunnen aan spiegelen. Maar in zijn nieuwe campagne
hakt 11.11.11 toch weer fors in op de subsidies die onze land- en tuinbouwers
vangen. Het Europees landbouwbeleid is de oorzaak van de honger in het zuiden,
luidt de striemende titel van een campagneartikel. 11.11.11 merkt op dat de
jongste landbouwhervorming in Europa productie noch subsidies substantieel
heeft afgebouwd. “De Europese Unie blijft ondanks de daling van de
exportsubsidies haar producten uitvoeren onder de productiekost. Boeren
subsidiëren mag, dumpingpraktijken organiseren niet”, stelt de
koepelorganisatie. Zowel terminologie als boodschap zijn in nogal wat
landbouwmiddens moeilijk verteerbaar.
11.11.11: “De EU wil tegelijk haar landbouw beschermen, de subsidies behouden
én ook de afzetmarkten voor haar producten. Die marktopening zoeken de Europese
onderhandelaars zowel binnen als buiten de Wereldhandelsorganisatie”. Vooral de
ACP-landen dreigen de dupe te worden van regionale onderhandelingen. Deze
vroegere kolonies van Europa kunnen al dertig jaar onder gunstige voorwaarden
hun producten op de Europese markt afzetten. Die gunstregeling loopt af eind
2007. De EU wil ze niet meer verlengen, maar stelt in de plaats zogenaamde
Economische Partnerschapsakkoorden voor aan 75 ACP-landen. Het gaat over
vrijhandelsakkoorden waardoor in tien à vijftien jaar tijd elke bescherming van
vrijwel alle producten moet verdwijnen. Dan moet de Senegalese ajuinboer in
rechtstreekse concurrentie treden met de industrieel geteelde ajuinen uit
Europa, vrezen de NGO’s.
Om zijn argumenten te staven, heeft de derdewereldbeweging een vette kluif aan
de goedkope invoer van bevroren kippendelen in Kameroen. De jongste tien jaar worden
kippendelen die niet geliefd zijn bij de Europese consument en die vroeger
vooral terechtkwamen in honden- en kattenvoer geëxporteerd naar het zwarte
continent, luidt de aanklacht. De Afrikaanse kip is een stuk duurder dan de
ingevoerde omdat men ze op een kleinschalige manier kweekt, van het platteland
naar de stad moet brengen en in zijn geheel verkoopt. Op zes jaar tijd verdween
92 procent van de Kameroense kippenkwekers, beweert 11.11.11. De organisatie
Association Citoyenne de Défense des Intérêts Collectifs schat dat per ton
ingevoerde kip een kwekerij van vijfhonderd kippen de deuren moet sluiten.
Alleen al in 2003 gingen op die manier in Kameroen 110.000 arbeidsplaatsen
verloren, becijferden de NGO’s.
Het ‘industriële’ monster
En
wie heeft daar baat bij? Niet de familiale boer in Europa, klinkt het. “We zijn
nog ver verwijderd van de ‘milieuvriendelijke familiale niet-handelsverstorende
landbouw’ die de Europese Commissie soms afficheert”, meent 11.11.11. Daarbij
wordt nog eens het verhaal opgedist van de grote agro-bedrijven die veel meer
subsidies krijgen dan kleine landbouwers. “In België ontvangt de onderste helft
van de boeren één tiende van de directe steun en het bovenste tiende de helft.
Het meeste geld komt terecht bij grote industriële en verwerkende
landbouwbedrijven, niet bij de familiale boeren die de steun het meest nodig
hebben. De scheve verhouding is des te frappanter als men beseft dat er in
Europa elke minuut een landbouwer uit het beroep stapt”, redeneert 11.11.11.
Maar ook over die analyse bestaat geen eensgezindheid in de landbouwsector.
aan VILT ontleende bijdrage, oktober 2006