|
Fundamenten van voedselsoevereiniteit
Fundamenten van voedselsoevereiniteit : de verbinding van ecologische
landbouw en eerlijke handel : Een poging om de vraag te beantwoorden of
er verband is tussen eco-fair standaards, die de grondslag (dienen te)
vormen van de voedselvoorziening, en voedselsoevereiniteit.
Zie ook het artikel van
Hannes Lorenzen "Qualified Market Access" in het Wervel Food Magazine,
November 2005, artikel 10.3.3, waaraan onderstaande citaten zijn ontleend:
"Om te komen tot
overeenkomsten over maatstaven rond 'eco-fair' in de internationale handel moet
er in aanzienlijke mate stabiliteit worden bereikt op lokaal en regionaal
niveau voordat regels of regelingen tot stand kunnen komen op nationaal of internationaal
niveau. Het probleem is dat toeleveranciers van lokale en regionale markten hun
greep [letterlijk : hun eigendom van de markt] op de markt verliezen naarmate
ze meer worden opgenomen in de nationale en internationale handel zonder dat er
voor hen vangnetten zijn. In de ontwikkelde zowel als in de in ontwikkeling
zijnde landelijke gebieden wordt de toegevoegde waarde van de voedselproductie
door de handel opgeslorpt. Deze vloeit niet terug naar de regio's waar de
productie plaats vindt. Dat is de oorzaak van de verslechterde plattelandsinfrastructuur
en bevolkingsterugloop. De [te stellen] maatstaven moeten ook gaan over de
kwaliteit van de concurrentiekracht en over een differentiatie mbt. het
vermogen van markten om de belangen van hun eigenaars te dienen.
Voor hen, wier belangen zijn
gelegen op het platteland, is het daarom zeer belangrijk om tot de publieke
opinie te laten doordringen dat concurrentiekracht niet alleen een kwestie is
van de meest efficiënte productiewijze, laagste kosten en de prijs van goederen
en diensten. Concurrentiekracht gaat ook over voedselkwaliteit, oorsprong van
het voedsel en het tewerkstellingseffect van productie en diensten. In
landelijke gebieden zijn er vele miljoenen minuscule, tot kleine tot
middelgrote boerderijen en ondernemingen die lokale en regionale markten
bevoorrraden en niet werkzaam zijn op wereldniveau. Richtlijnen voor 'eco-fair'
handel en duurzame plattelandsontwikkeling zouden daarom duidelijk onderscheid
moeten maken tussen boerderijen en ondernemingen die werkzaam zijn op een
lokale en regionale schaal en die, welke op wereldschaal opereren."
1) Is er verband tussen
eco-fair standaards, die de grondslag (dienen te) vormen van de
voedselvoorziening, en voedselsoevereiniteit ?
2) Kan via het aspect
"eco" een koppeling worden gelegd naar agrarische biodiversiteit en
zelfs naar natuurlijke biodoversiteit ?
"Twee basisprincipes
moeten ten grondslag liggen aan onderhandelingen over kwaliteitsvolle marktoegankelijkheid
: "Alles behalve honger" en "Geen exportsubsidies". Het
eerste principe beoogt druk uit te oefenen op landen die feitelijk in de
omstandigheden verkeren dat hun bevolking zichzelf kan voeden, met het doel dat
zij in hun beleid de voedselzekerheid binnen hun grondgebied vooropstellen en
dienovereenkomstig de export verminderen. Het tweede beoogt landen, die
landbouwproducten kunnen uitvoeren, te verplichten om te concurreren op basis
van hun binnenlandse marktprijzen."
Hier wordt dus een eerste basisprincipe
geformuleerd, nl. de eigen voedselvoorziening heeft voorrang op de teelt van
exportproducten. Dit principe dient in regelgeving te worden vastgelegd. En een
tweede, nl. geen export aan een prijs die onder de totale productiekostprijs
ligt (n.b. ik formuleer het wat anders dan HL; hij gebruikt de term binnenlandse
marktprijs. Dit lijkt mij niet juist omdat die even goed als de exportprijs,
manipuleerbaar is, zowel naar boven als naar beneden.) Dit tweede principe
betekent dus opheffing van exportsubsidies of van wat ook wel eufemistisch
exportrestituties genoemd worden. Maar eigenlijk gaat dit nog veel verder. Hoe
dit zit, blijkt uit de studie van Jacques Berthelot, zie artikel 5.1. in deze
Voedselkrant. De dumping op de wereldmarkt van landbouwproducten door de EU en
de VS zal niet voorbij zijn als in 2013 de exportsubsidies zullen zijn
afgeschaft.
In het eerste citaat is de
primaire voorwaarde die HL stelt voordat er hoe dan ook maar gedacht kan worden
aan voedselexport : " dat in
aanzienlijke mate stabiliteit wordt bereikt op lokaal en regionaal niveau".
Ik versta dat hij bedoelt dat er sprake moet zijn van voldoende eigen
voedselproductie op lokaal en regionaal niveau en dat die ook stabiel moet
zijn. Met andere woorden voedselsoevereiniteit moet gerealiseerd zijn, voordat
er maar sprake kan zijn van enige voedselexport. Dan konstateert hij : "
Het probleem is dat toeleveranciers van lokale en regionale markten hun greep
[letterlijk : hun eigendom van de markt] op de markt verliezen naarmate ze
meer worden opgenomen in nationale en internationale handel zonder dat er voor
hen vangnetten zijn." Met andere woorden, zij die de lokale en
regionale markten bevoorraden, en die in die positie meestal een redelijke mate
van zelfstandigheid hebben behouden, raken verstrikt in een positie van afhankelijkheid
van grootwinkelketens of toeleveringscontracten met verwerkende industrieën.
Voorrang geven aan voedselsoevereiniteit betekent dus ook waarborgen inbouwen
voor zelfstandigheid van de boeren.
Dan zegt hij : "In de ontwikkelde zowel als in de in
ontwikkeling zijnde landelijke gebieden wordt de toegevoegde waarde van de
voedselproductie door de handel opgeslorpt. Deze vloeit niet terug naar de
regio's waar de productie plaats vindt." Dit is duidelijk een gevolg
van de afhankelijkheid van de boeren van de handel en van de voedselverwerkende
industrie, die voor het merendeel ook nog elders is gevestigd..
"In de afgelopen 25 jaar
is in ontwikkelingslanden de capaciteit voor voedselverwerking afgenomen."
Dit is een vervolgprobleem zodra de voedselverwerkende industrie wegtrekt
uit of niet is gevestigd in de regio waar de landbouwproducten worden
voortgebracht. Dit vergroot het tewerkstellingsprobleem, omdat de arbeidskrachten
die door mechanisering van de landbouw worden uitgestoten nu niet terecht kunnen
in nabijgelegen voedselverwerkende industrieën.
In de laatste zin van de
eerste alinea spreekt HL van een eigendomsrecht op een lokale markt. Wie komt
dat eigendomsrecht toe ? In de eerste plaats de boeren die lokaal voedsel
voortbrengen. Als de lokale voedselmarkt hen ontnomen wordt door (unfaire)
handelsregels, dienen die regels te worden herzien. Ook dat past in het begrip
voedselsoevereiniteit.
In de tweede alinea zegt
HL: "Richtlijnen voor 'eco-fair'
handel en duurzame plattelandsontwikkeling zouden daarom duidelijk onderscheid
moeten maken tussen boerderijen en ondernemingen die werkzaam zijn op een
lokale en regionale schaal en die, welke op wereldschaal opereren." Om
voedselsoevereiniteit inhoud te geven zal er dus in de regelgeving onderscheid
gemaakt moeten worden tussen boeren die voor de lokale markt werken en
landbouwbedrijven die gericht zijn op export.
Bovendien zal er om
voedselsoevereiniteit inhoud te geven naast regelgeving ook per regio een
omvangrijke inventarisatie gemaakt moeten worden van wat zich in de loop van de
tijd heeft ontwikkeld tot het voedselpatroon van die streek of regio, rekening
houdend met het feit dat dit aan voortdurende verandering onderhevig is.
Voor gebieden die niet
zelfvoorzienend zijn vanwege bv. klimatologische of terreingesteldheden zal
moeten worden vastgesteld welke soorten voeding in ruwe of verwerkte vorm
worden ingevoerd.
Bij de bestudering van beide
situaties, dus zowel de situatie van zelfvoorziening als die van de noodzakelijke
invoer van een deel of zelfs het merendeel van de voeding, zal tevens overwogen
moeten worden dat voeding cultureel gebonden is, en dus niet louter een
economisch gegeven is.
De nodige inventarisatie
kan ook dienen als basis van en om inhoud te gegen aan het begrip "special
products" dat binnen de WTO door derdewereldlanden wordt naar voor
geschoven en dat mogelijk kan leiden tot een aangepaste benadering van het
recht tot invoerheffingen om de voedselsoevereiniteit te beschermen. Zie voor
dit punt de Voedselkrant van november 2005, artikel 2.4.
De aansluiting naar
biodiversiteit in zijn verschillende verschijningsvormen laat ik rusten omdat
ik daarvan te weinig weet,
Gert Coppens, 060120
|