|
De toepassing van soja in
veevoeders en de menselijke eiwitconsumptie
Een mens heeft voor zijn
instandhouding eiwitten nodig. Die kunnen van plantaardige of dierlijke
oorsprong zijn.
Dierlijke eiwitten ontstaan
via de consumptie door dieren van plantaardige eiwitten ( door herbivoren) of
van dierlijke eiwitten (door carnivoren). Er is dan nog een tussengebied van
dieren die zowel herbivoor als carnivoor zijn.
De omzetting van plantaardige
eiwitten via de landbouwdieren is niet erg efficiënt.
Grofweg is de efficiëntie bij
pluimvee 50%; bij varkens 25% en bij rundvee 15%.
Die mate van efficiëntie
wordt des te problematischer als de veehouderij waarover het gaat de kringlopen
verstoort. De transcontinentale aanvoer van eiwitrijk veevoeder vormt een
verstoring zowel in de landen van herkomst als in onze streken. Bij ons leidt
het tot mestoverschot en vervuiling van bodem en water, zowel grondwater als
oppervlaktewater. In de landen van herkomst is er sprake van nutriëntenverlies
en (agro)milieudegradatie. Ook het transport betekent een aanzienlijke milieulast.
Dus de eerste stap is te
overwegen of de Europeaan niet beter wat meer plantaardig eiwit zou eten.
Er komen dan enkele vervolgvragen
op :
(1) of de gemiddelde
Europeaan niet teveel eiwitten in zijn dieet heeft zitten? En dan :
(2) hoe is de verhouding
tussen de consumptie van dierlijke en plantaardige eiwitten ? Tenslotte :
(3) zijn wij in Europa in
staat om eiwitten van eigenteelt aan te bieden aan ons vee ?
de menselijke
eiwitconsumptie
Gemiddeld eet een Europeaan per
dag 100 gram eiwitten; een gemiddelde van 48 gram zou voor een goede gezondheid
volstaan.
De geconsumeerde 100 gram per
dag zijn voor 34 gram van directe plantaardige oorsprong en de rest is van
dierlijke oorsprong (66 gram gemiddeld per dag).
Bij een gezonde gemiddelde
eiwitconsumptie zou bij behoud van de 34 gram aan plantaardige eiwitten een
aanvullende 14 gram aan eiwitten van dierlijke aard volstaan.
De verhouding 14 op 66, ofwel
1 op 4,7 betekent dat we - als we afzien van export van veeteeltproducten -
onze menselijke eiwitvoorziening met behoud van een goede gezondheid, globaal kunnen
baseren op een vermindering van de veeteelt met driekwart.
(zie voor de export van
dierlijke producten uit de EU artikel 5.1. in deze Voedselkrant.)
eigen teelt van eiwitten
Europa heeft goede eigen plantaardige
eiwitbronnen : grassen, klavers, granen, peulvruchten.
Maar sinds 1962 komen
eiwitten (o.a. onder de naam "oliehoudende zaden") Europa binnen
zonder douanetax, terwijl de eigen eiwitproductie verwaarloosd wordt. Prof.
J.- F. Sneessens maakte daarvan in 1994 een grafiek, waarin ook de im-/export
van granen is weergegeven naast die van soja en andere graanvervangers. Zie
voor zijn studie de vorige Voedselkrant (november 2005) onder 2.1.
Daaruit blijkt dat omstreeks
1980 de graanimport in de EU omsloeg in graanexport, die sindsdien is
toegenomen tot een niveau van 30 miljoen ton per jaar. Omstreeks 1992 vond een
stabilisatie plaats in die groei in samenhang met de McSharry-hervorming van
het GLB, Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
Gesubsidieerd graan verdween
en masse uit Europa en taxvrije soja e.d. kwam in steeds groter massa's binnen.
Wat soja en sojaderivaten betreft zit de huidige EU aan 43 miljoen ton per
jaar. Daarbij komen nog : cassave, maïsderivaten e.d.
conclusies
1. We moeten onze
eiwitconsumptie onder ogen durven zien en durven aanpassen.
2. We moeten werken aan een
ander GLB en andere afspraken binnen de WTO.
Gert Coppens, 051128
|