Voedselsoevereniteit

Boeren, gezinslandbouwers, vissers en hun supporters stellen een Volks Voedsel Soevereiniteit voor als alternatief voor de stellingname van VS-EU en G21.

De ministeriële conferentie van de WTO in september 2003 stopte voortijdig en was zonder resultaat. Miljoenen juichten deze plotselinge stopzetting van de onderhandelingen in Cancun toe en zagen het als een overwinning van hun acties om regeringen af te houden van steun aan ongewenste liberalisering en privatisering ten koste van hen.

De zelfmoord, die een Zuid-Koreaanse boer in Cancun pleegde, schokte de hele wereld en vestigde de aandacht van de wereld op de destructieve invloed van de WTO op de boeren. De wanhopige situatie van boeren en vissers over de hele wereld maar vooral in Afrika, vraagt dringend om een antwoord. Overal vragen sociale bewegingen en gemeenschappen hun regeringen om het neo-liberale economische beleid los te laten en te kiezen voor een beleid dat tegemoet komt aan de echte en dringende noden van hun bevolking. Het huidige liberaliserende beleid dat gebrand is op toenemende export en voorziet in de behoeften van de bedrijven, bewerkt feitelijk het tegendeel en bedreigt de noden van de bevolking. Het verwoest kostwinningen en culturen, lokale productiemethoden, en toegang tot voedsel, zaden, water en land.
 
De onderhandelingen in de WTO hebben echter geen aandacht voor de dagelijkse strijd om het bestaan. Zij gaan over bevordering van handelsmonopolies en kibbelen over exportaandelen in wereldmarkten voor de landbouw en andere sectoren. De onderhandelaars denken dat het opofferen van de lokale voedselproductie en -consumptie aanvaardbaar is evenals het prijsgeven van de kostwinningen van miljoenen boeren, in ruil voor grotere toegankelijkheid tot internationale markten ten dienste van hun voornaamste exporteurs. Maar sociale bewegingen over heel de wereld eisen het recht op dat er naar hen wordt geluisterd en dat er rekening wordt gehouden met hun voorstellen.
 
De WTO is ervoor om liberalisering te bevorderen en onderhandelaars richten hun aandacht bijna uitsluiten op de snelheid en de vorm van deze liberalisering. Het schijnt dat deze officials er geen vermoeden van hebben dat het liberaliseringsproces zelf fundamenteel tekort schiet omdat het de handel bevoordeelt ten koste van de noden van families, gemeenschappen, kleine bedrijfjes en het milieu. Handelsofficials zetten zich koste wat kost in voor een toename van de landbouwexport.

Maar aan de kosten daarvan kan men eenvoudigweg niet voorbij gaan. Het gaat om de verwoestende invloed op familiale landbouwers, boeren, vissers, landarbeiders, arbeiders in de voedselindustrie en consumenten, waar ook, en een ernstige milieu-aftakeling overal waar intensieve exportlandbouw wordt ingevoerd. Voorrang geven aan productie voor export boven productie voor nationale en lokale markten leidt tot lokale voedselschaarste. Het leidt tot een breuk tussen voedsel, landbouw en visserij en hun kritische sociale, culturele en milieu-samenhangen. Het tast het vermogen van regeringen aan om een beleid te ontwikkelen gericht op lokale noden. Het geeft een overwicht aan de handelsbelangen van de grootste ondernemingen. Zelfs die regeringen die zich verzetten tegen de voorstellen van de EU en de VS in Cancun, brengen onderhandelingsvoorstellen in, die uiteindelijk de op export gerichte landbouw bevoordelen.

De verschillende groepen van Zuidelijke landen - waaronder begrepen de G21, de Alliantie voor Speciale Producten en voor het Speciaal Vrijwarings- Mechanisme, de APEC (Asia Pacific Economic Cooperation) en de 'multifunctionele groep' geleid door Zuid-Korea - hebben (na afloop van Cancun) in de grond van de zaak alle aanvaard dat de onderhandelingen zouden worden voortgezet op grond van de z.g. 'Derbez tekst' die was voorgesteld door de Mexicaanse voorzitter van de ministeriële conferentie in Cancun. Deze tekst, die door deze zelfde regeringen tijdens de ministeriële conferentie in Cancun was verworpen, is opgesteld om tegemoet te komen aan de belangen van de in de EU en de VS gevestigde concerns, die thans reeds de wereldhandel in voedsel en landbouw beheersen.

Bovendien vereisen de WTO-regels dat de voedsel-handel deel uitmaakt van het onderhandelingspakket van alle verschillende sectoren tesamen. Dit maakt dat beloften tot (douane)tariefverminderingen of tot verhoogde toegang tot markten van de rijke landen (beloften die in het verleden zijn gebroken) worden gebruikt als stimulansen. Dus een ontwikkelingsland dat zulke voordelen wil verwerven, moet toegevingen doen op andere, kritische terreinen zoals in de dienstensector of de sector van buitenlandse investeringen. Zulke koehandel is onaanvaardbaar. Het maakt het fundamentele recht op voedsel en voedselvoortbrenging ondergeschikt aan de belangen van sectoren die daarmee geen verband houden. Het leidt ook tot een veelvoud aan negatieve effecten voor gemeenschappen en voor het milieu met het risico verliezen te lijden op verschillende gebieden tegelijk.

Regeringen zijn ook niet opgewassen tegen de toenemende concentratie van marktinvloed van bedrijvenkartels die werkzaam zijn in de landbouwsector.

De VS en de EU mikken op de landbouwmarkten van andere landen, en grijpen daarbij iedere gelegenheid aan, hetzij onderhandelingen in de WTO, hetzij bilaterale en regionale handelsovereenkomsten, om voor landbouwproducten lagere importtarieven en meer markttoegang te verkrijgen. Dit beleid is erop gericht de prijzen van de basislandbouwproducten te drukken tot onder de productiekosten, wat leidt tot een uitstoot van boeren en familiale landbouwers. Door deze roofzuchtige prijszetting kunnen boeren niet langer het voedsel voortbrengen voor hun eigen, lokale markten. In veel landen, speciaal in het Zuiden, wordt de productie van de lokale boeren vervangen door een combinatie van goedkope importen uit andere landen en een industriële exportgerichte productie op basis van goedkope arbeid gepaard aan een lakse toepassing van sociale en milieumaatstaven. Dit is een huichelachtig gedrag, omdat de EU en de VS tezelfdertijd hun eigen markten beschermen uit binnenlandse politieke overwegingen op een wijze die zij andere ontzeggen.

Bovendien hebben de EU en de VS hun eigen landbouwpolitiek drastisch veranderd waardoor de prijzen werden verlaagd en een syteem van minimumprijzen voor landbouwproducten werd verlaten. Prijzen zijn tot 57% onder de eigenlijke productiekosten gedaald. Tegelijkertijd worden de grootste producenten in de watten gelegd door toenemende binnenlandse landbouwsubsidies. Dit doet de neergaande spiraal van de grondstofprijzen aanhouden doordat het grote boeren in de EU en de VS in de gelegenheid stelt om overschotten te produceren, die dan op de wereldmarkt worden gedumpt tegen lage prijzen waardoor economieën, vooral in het Zuiden, die gebaseerd zijn op rurale landbouwers en onafhankelijke familiebedrijfjes, verwoest worden. In het Noorden zijn grote delen van de familiale landbouw als gevolg daarvan reeds verdwenen. De overgebleven familiale boeren wordt voorgehouden meer te exporteren. Maar hun inkomsten dalen alsmaar en veel van hen gaan failliet.

De EU en de VS menen dat hun subsidies aanvaardbaar zijn binnen de WTO-regels omdat zij de handel niet zouden verstoren en maken daarbij gebruik van het WTO-systeem van uitzonderingen of zg. 'dozen', welk systeem in de 'Derbex tekst' wordt aangehouden. Maar deze directe steun gaat hoofdzakelijk naar de grootste producenten en naar exportbedrijven. Het levert deze producenten en exporteurs een concurrentievoordeel op dat naar ons oordeel inderdaad de handel verstoort ten gunste van de grootste concerns en de rijkste landen.

De landbouwonderhandelingen in de WTO gaan voort zonder blikverruiming en worden beheerst door de gezamenlijke inspanningen van de VS en de EU om hun beider handelsbelangen te beschermen. Het VS-EU voorstel voor een 'gemengde formule' laat hun toe om het gebruik van binnnenlandse steun ten gunste van dumping voort te zetten en tegelijk een tariefsysteem toe te passen om gevoelige sectoren te beschermen. Maar tegelijkertijd zou de 'gemengde formule' sterke tariefverlagingen willen opleggen aan de landbouwmarkten van de ontwikkelingslanden. De VS-benadering van "doe wat ik zeg, niet wat ik doe" overheerst haar onderhandelingsdoeleinden. Het roept bv. op voor het aan banden leggen van de 'monopolie'-positie van staatshandelsondernemingen zoals de Canadese Tarwe Raad, maar laat na de essentiële noodzaak te onderkennen om de veel grotere, door winst gedreven monopolie-positie aan te pakken van multinationale agrobusinesskartels, die merendeels zetelen in de VS. De miljarden dollars binnenlandse steun volgens de 'US Farm Bill' gaan in hoofdzaak naar de agrobusiness. Zij ondersteunen de macht van de VS-agrobusiness onder afbraak van grondwettelijke binnenlandse mechanismen en plaatsen de voedselmarkt ronduit onder beheer van het bedrijfsleven.

De G20 (eerder de G21)  zijn als politiek tegenwicht tegen de VS en de EU dringend nodig, maar toch vertegenwoordigen zij hoofdzakelijk de exportbelangen van het Zuiden en verdedigen zij niet de belangen van de grote meerderheid van de boeren die produceren voor de binnenlandse markt. Bovendien neemt hun verzet tegen de Derbez-tekst reeds af, een tekst die de steun voor exportlandbouw in de EU en de VS beschermt en verdere liberalisering nastreeft van landbouwmarkten in het Zuiden.

De G20 vertolken in feite de stem van de kleine minderheid van hun bevolking, een minderheid die de op export gebaseerde landbouw en agrobusiness beheerst. Zij vragen dus ook om de afschaffing van handelsverstorende subsidies en meer markttoegang, zowel in het Noorden als in het Zuiden, zonder te erkennen dat het feitelijk de overmatige aandacht is voor exporten en bedrijfsbelangen, die het hoofdprobleem vormt. Hoewel het verzet van de G20 tegen het schema van de EU-VS voor de landbouwonderhandelingen lovenswaardig is, is hun algemene standpunt inzake de landbouwhandel geen levensvatbaar alternatief. Toegenomen liberalisering en veralgemeende markttoegang zullen alleen maar dienen om de greep van de multinationale agrobussinesskartels te versterken, terwijl de problemen van armoede en sociale uitsluiting van miljoenen mensen in de wereld zullen toenemen.  

De Alliantie voor Speciale Producten en voor het Speciaal Vrijwarings-Mechanisme van de andere kant, heeft opgeroepen voor een bescherming van (douane)tarieven op sommige producten uit een oogpunt van voedselzekerheid en rurale bestaansvoorwaarden. De rijke landen hebben hun gezegd dat ze op die bescherming mogen rekenen (alhoewel in een uiterst verwaterde vorm en gepaard aan tariefreducties) als de landen die tot deze groep behoren instemmen met de 'gemengde formule' van de Derbez-tekst. Tot nu toe hebben deze landen het aanbod van de rijke landen afgewezen maar ze staan voortdurend onder geweldige druk langs bilaterale en multilaterale kanalen.

Al met al loopt het huidige door de WTO beheerste regime nauwelijks ernstig gevaar vanuit de ontwikkelingslanden.  De meeste zijn bereid om binnenlandse productie en markten veil te hebben voor een kans op de toegang tot verre internationale markten.

Het is niet een Noord-Zuid conflict, maar een fundamenteel sociaal conflict, waarmee we ons moeten bezighouden.
De raadplegingen voorafgaand aan de ministeriële conferentie in Cancun gaven de indruk dat het gaat om een Noord-Zuid conflict dat moet worden opgelost. Deze indruk werd volgehouden in de opeenvolgende onderhandelingen met een klaarblijkelijk conflict tussen de regeringen van de VS en de EU aan de ene kant en die van de G21 aan de andere kant. Het echte conflict als het gaat om voedsel, landbouw, visserij, banen, het milieu en de toegang tot bestaansbronnen, is geen Noord-Zuid conflict maar een rijk-arm conflict. Het is een conflict tussen verschillende modellen van landbouwproductie en plattelandsontwikkeling, een conflict dat zowel in het Noorden als in het Zuiden bestaat. Het is een conflict tussen gecentraliseerde industriële landbouw, aangestuurd door het bedrijfsleven en exportgericht, en gedecentraliseerde duurzame productie, gebaseerd op boeren- en familiale landbouw en allereerst gericht op binnenlandse markten. Deze strijd, de strijd van sociale bewegingen tegen neoliberale politiek, wordt niet onderkend door hen die betrokken zijn bij de onderhandelingen over de wereldhandel.

Productie voor binnenlandse doeleinden door kleine boeren en familiale bedrijven staat garant voor ongeveer 90% van de wereldvoedselproductie, waarvan veel niet eens de markt passeert. Van de andere kant vertegenwoordigt de internationale landbouwhandel maar ongeveer 10% van de landbouwproductie van de wereld. Het merendeel van de winsten van deze handel verdwijnt in de zakken van de grootste producenten en multinationale businesskartels die de internationale voedsel- en landbouwhandel en productieketens in hun greep hebben. Bovendien heeft de op export gebaseerde intensieve landbouw aanzienlijke negatieve milieu-effecten vanwege zijn productiemethoden, de vernietiging van lokale teelten en biodiversiteit en vanwege zijn lange transportlijnen.  

Gegeven het echte belang van de landbouw van kleine boeren en familiale bedrijven voor de wereldvoedselvoorziening, is het van groot belang dat deze producenten worden beschermd door de samenleving en de economie en de garantie hebben van een eerlijke toegang tot de binnenlandse markten. De internationale handelspolitiek moet de nationale landbouw en plattelandsontwikkeling niet vernietigen maar juist ondersteunen ter stabilisering van de binnenlandse markten.

Een authentiek, mensvriendelijk antwoord op de huidige crisis in voedsel en landbouw is vervat in onderstaande tekst over Volks Voedsel Soevereiniteit. Dit antwoord wordt gedragen door boeren, landloze boeren ook, door vissers, landarbeiders en zij die werkzaam zijn in de voedselindustrie, door hen die opkomen voor het leefmilieu en vele anderen zowel in het Noorden als in het Zuiden. Het biedt oplossingen voor enkele fundamentele problemen die samenhangen met de voedselhandel, de landbouw en de visserij.

VOLKS VOEDSEL SOEVEREINITEIT is een oplossing voor de huidige impasse.
Vanuit een oogpunt van een brede basis-ontwikkeling van de lokale en de nationale economie is het veel belangrijker dat we ons richten op armoede en honger, dat we natuurlijke hulpbronnen duurzaam beheren en in de eerste plaats produceren voor de lokale markten liever dan voor de export. In ieder land moeten de mensen het recht hebben en ook de mogelijkheden om zelf hun beleid te bepalen inzake voedsel, landbouw en visserij. Zij moeten het recht hebben om hun binnenlandse markten te beschermen en het recht om openbare subsidies in stand te houden die steun bieden aan een duurzame productie op basis van familiale landbouw, om daarmee tegelijkertijd veilig en betaalbaar voedsel te verzekeren voor alle leden van de samenleving. Deze rechten zijn fundamenteel binnen de eis van wereldburgers van politieke soevereiniteit, democratie en vrede. Om dit te bereiken is het volgende essentieel:

Zeggenschap over importen en beheersing van het aanbod om stabiele prijzen te garanderen die de productietiekosten dekken. Overal in de wereld, ook in de VS en Europa, hebben boeren te maken met prijzen die lager zijn dan hun productiekosten. Beheersing van het aanbod en voorkoming van overproductie van voedsel, speciaal in de grootste onder de exporterende landen, zouden de prijzen helpen stabilseren op een niveau dat kostendekkend is. Internationaal zouden productieafspraken het totale aanbod op de wereldmarkten moeten regelen. Regeringen zouden vrij moeten zijn om maatregelen toe te passen met inbegrip van import quota, prijsbandsystemen (onder- en bovengrens) en invoertarieven, om voedselimporten te beheersen.

Stop directe en indirecte exportsubsidies. Mik op openbare subsidies voor boeren en vissers die er de meeste nood aan hebben. Het misbruik van openbare subsidies in geïndustrialiseerde en landbouwproducten-exporterende landen ter ondersteuning van dumping, vooral in de VS en de EU, heeft ertoe geleid dat alle openbare subsidies in de landbouwsector in een kwaad daglicht worden gesteld. Toch moet eraan herinnerd worden dat openbare binnenlandse steun van levensbelang is ter stimulering en behoud van een duurzame lokale voedselproductie. Wij roepen niet op tot een algehele afschaffing van subsidies, maar vragen om onderscheid tussen steun voor de kleinschalige voedselproducenten en de armen, en steun die de belangen behartigt van de bedrijfsmatige agrobusiness. Openbare subsidies moeten duurzame landbouw, duurzame voedselproductie en -distributie, en sociale en economische rechtvaardigheid  ondersteunen. Zij moeten de capaciteit van lokale producenten helpen ondersteunen en zorgen voor eerlijke toegang tot voedsel en essentiële bronnen van bestaan voor de armen. Tegelijkertijd moeten alle vormen van directe en indirecte subsidies die bijdragen aan prijsverlagingen en aanmoedigen tot dumping, worden opgespoord en verboden. Subsidies die industriële niet-duurzame landbouw en onrechtvaardige  vormen van landpacht promoten moeten, worden omgebogen naar ondersteuning van een duurzame productie op basis van gezinslandbouw en geïntegreerde agrarische hervormingsprogramma's.



Aanbodbeheer is essentieel ter voorkoming van overproductie; prijsstabilisering in samenhang met subsidies voor binnenlandse productie. Aanbodbeheer moet verzekeren dat openbare steun niet leidt tot overproductie en dumping. Er moet ook aan worden herinnerd dat de meeste ontwikkelingslanden niet in de gelegenheid zijn om welke subsidie dan ook te geven aan hun agrarische producenten. Voor zulke landen is het zelfs belangrijker om hun producten te beschermen met hoge douane-drempels (zowel van tarifaire als niet-tarifaire aard) en een binnenlands beleid in te voeren dat minstens op indirecte wijze hun producenten ondersteunt. Zij zouden niet het slachtoffer moeten zijn van bilaterale of multilaterale druk om juist het tegendeel te doen.

Eerlijke prijzen voor boeren en consumenten! Mechanismen die de prijzen drukken die boeren ontvangen en daarbij de industrie de kans bieden om goedkoper in te kopen ter veiligstelling van hun winst , moeten worden gestopt.
Zowel nationaal als internationaal moeten inspanningen worden gedaan om minimumprijzen vast te stellen en aanbodbeheer te regelen ten gunste van kleine producenten en verdelers. Winsten door uitbuiting van familiale boeren, landarbeiders en werkers in de voedselindustrie of door het toebrengen van milieuschade, moeten worden gestopt. Zo is bv. de bestaande landbouw- en handelspolitiek bewust erop gericht om de graanprijzen laag te houden. Deze goedkope graan-politiek is voorstander van een niet te verdedigen subsidie aan industriële dierfabrieken, omdat het deze bedrijven in de gelegenheid stelt om voedergranen onder kostprijs aan te schaffen ten nadele van de onafhankelijke veetelers die hun dieren voeren met gras of zelfgeteelde producten. Minimuminkomens en zo nodig specifieke maatregelen om te garanderen dat armen voedsel kunnen kopen op hun eigen lokale markt, moeten worden vastgesteld. Een beleid dat in gebruik is geweest in landen zoals India, maar is afgeschaft onder druk van de Wereldbank en het IMF, het Internationaal MuntFonds.

Geef mensen de kans hun eigen voedsel voor te brengen ! In plaat van de boerenlandbouw te vernietigen en van onafhankelijke boeren arme pachters te maken, of contractarbeiders of landloze boeren, seizoenarbeiders of landarbeiders, zouden de mensen het recht weer moeten krijgen en de mogelijkheden om hun eigen voedsel voort te brengen. Plaatselijke voedseleconomieën op basis van een lokale en duurzame productie, verwerking en verdeling, zouden moeten worden ontwikkeld en gestimuleerd.

Eerbied voor de rechten op de natuurlijke hulpbronnen! Zowel het legale als het gewoonterecht van gemeenschappen om besluiten te nemen over hun lokale traditionele hulpbronnen en hun rechten op een rechtvaardige toegang tot land, zaden, water, krediet en andere productiemiddelen moeten worden erkend en gegarandeerd. De rechten van boeren, inheemsen en lokale gemeenschappen over de genetische bronnen in hun planten en de daarmee verband houdende kennis, met inbegrip van de boerenrechten tot het voortbrengen en uitwisselen van zaden,  moeten worden beschermd. Alle vormen van patentering en de toeëigening van kennis in verband met voedsel en landbouw langs de weg van de IPR, Intellectual Poperty Rights, Intellectuele EigendomsRechten, moet worden belet.

Duidelijke en nauwkeurige etikettering van voedsel en voer. De rechten van boeren en consumenten op informatie over productiewijze, inhoud en oorsprong van voedsel moeten worden gerespecteerd en de producten moeten daaraan beantwoorden. Er moeten bindende regels worden gesteld aan alle firma's ter verzekering van transparantie, verantwoordelijkheid en respect voor mensenrechten en milieunormen. Zulke maatregelen laten een groeiende consumenteneis toe dat een duurzame en sociaal rechtvaardige landbouw-productie herkendbaar is doorheen de hele voedsel-productieketen, zodat de producenten economisch beloond kunnen worden voor hun inspanningen ter verbetering van hun productiemethoden omwille van meer duurzaamheid.

De internationale agrobusiness moet aan regels worden gebonden. Alle landen zouden hun eigen antitrustwetgeving moeten heroverwegen en verstrengen om ze effectiever te maken tegen de toenemende marktinvloed van de multinationale agrobusinesskartels. Nieuwe internationale gesprekken zouden op gang moeten komen om de grenzen vast te stellen van nationale antitrustverplichtingen in het licht van de snel toenemende marktinvloed van multinationale agrobusinesskartels en nieuwe, innovatieve wegen te zoeken en vast te stellen tot  internationale samenwerking voor het afdwingen van meer effectieve antitrustverplichtingen. Het doel van deze inspanningen – zowel nationaal als internationaal – moet zijn het keren van de huidige trend naar een toegenomen concentratie van marktinvloed van multinationale agrobusinesskartels en het beschermen van familale boeren tegen roofzuchtige prijszetting, marktmanipulatie en andere concurrentieverstorende praktijken. Bedrijven en hun directeuren moeten wettelijk aansprakelijk gesteld worden voor bedrijfsinbreuken op sociale en milieuwetten en op nationale en internationale wetten en overeenkomsten.

Het in praktijk brengen van VOLKS VOEDSEL SOEVEREINITEIT zal ons allen echte, duurzame economieën brengen op een brede basis!
Volks Voedsel Soevereiniteit kan doelen verwezenlijken die onmogelijk zijn binnen de structuur van vrijhandelregimes zoals de WTO. De WTO heeft reeds getoond als instituut niet in staat te zijn uiteenlopende modellen van productie, distributie en consumptie te promoten. De WTO heeft geen antwoord op de dringende noden van boeren, vissers en arbeiders omdat zij nooit was opgericht om dat te doen. Ondanks de woorden die in haar preambule gaan over het promoten van ontwikkeling, schijnt de kernrol van de WTO erin te bestaan handelsmonopolies te ondersteunen die uitgeoefend worden door de groten in de handel. Voor de meerderheid van de mensen in deze wereld is de enig logisch te trekken conclusie deze, dat de WTO zijn handen af moet houden van voedsel en landbouw. Evenzo kunnen regionale en bilaterale handelsovereenkomsten geen structuur leveren voor duurzame landbouw en voedselproductie. Deze sleutelsector vereist een afwijkende internationale en regionale structuur en een meer vooruitziend nationaal beleid.

"WTO : handen af van voedsel en landbouw" gaat verder en treft de economische regimes en regelgeving door de Wereldbank en het IMF. Al voor de WTO bestond, hebben het IMF en de Wereldbank op de bres gestaan voor eenzijdige privatisering zonder onderscheid, liberalisering en dereguleringsprogramma's in de landen van het Zuiden. Hun beleidsvisie dwong tot de omvorming van landbouwsystemen die waren gebaseerd op zelfvoorziening, gericht op de plaatselijke gemeenschap, in systemen van commerciële en marktafhankelijke productie en distributie. Bovendien heeft de huidige nadruk op exportteelten geleid tot een toegenomen afhankelijkheid van schadelijke en dure chemische inputs die een bedreiging vormen voor de kwaliteit van de bodem, het water en de lucht, de biodiversiteit, en menselijke en dierlijke gezondheid, onder het leveren van grotere winsten aan de grote in het Noorden gevestigde agrobusiness en chemische concerns. Omwille van de bescherming van onze landbouw dienen ook de Wereldbank en het IMF te worden weggehaald bij de landbouw en het voedsel.

Wij doen een beroep op nationale regeringen om in te gaan op de vragen die afkomstig zijn van organisaties van boeren, vissers, arbeiders, consumenten en milieuactivisten, de noodzakelijke maatregelen te nemen ter bescherming van de binnenlandse voedselproductie en -distributie en om het recht op te eisen die maatregelen toe te passen als een fundamenteel mensenrecht dat niet kan worden ingewisseld tegen andere concessies.

Wij doen een beroep op de VN-bureaus zoals FAO, UNCTAD en ILO om hun rol m.b.t. landbouw en visserij te heroverwegen. Zij zouden initiatieven moeten nemen voor het ontwikkelen van een alternatieve internationale structuur voor landbouw en voedsel. Zo'n structuur moet voedselsoevereiniteit, antitrustdwang, rechten van boeren en arbeiders, en duurzame binnenlandse voedselproductie en –consumptie centraal stellen in haar bekommernissen. Zij moet ook duidelijk de rol aangeven van internationale handel en haar grenzen afbakenen. De wettelijke rechten van boeren en consumenten m.b.t. voedsel en voedselproductie zou in deze structuur dsuidelijk moeten worden vastgelegd en moeten leiden tot een internationale overeenkomst zoals een conventie over voedselsoevereiniteit, die uitgebreid en allesomvattend zich richt op velerlei aandachtpunten m.b.t. voedsel-, landbouw- en visserijpolitiek. En ook met aandacht voor handelspolitiek en voor een WTO met een structuur in dienst van de belangen van de mensen. Bovendien zou een onafhankelijk arbitragemechanisme moeten worden gevestigd, onder het gezag van het Internationaal Hof van Justitie, ter voorkoming van dumping en andere manipulaties van de markten, met inbegrip van roofzuchtige prijszetting.

Wij doen een beroep op de organisaties en bewegingen van de civiele maatschappij om hun wettige en fundamentele rechten te verdedigen op het produceren, distribueren en consumeren van hun eigen lokaal en duurzaam voorgebracht voedsel. Wij vragen hun om er bij hun volksvertegenwoordigers en regeringen op aan te dringen dit thema op te nemen omwille van een echte en blijvend verandering en hun acties voort te zetten om dit sleutelthema onder de aandacht van een breed publiek te brengen.

Ondertekenende organisaties
1.    Action, Research & Education Network of Aotearoa, New Zealand
2.    Amigos de la Tierra (CENSAT) - Colombia / Friends of the Earth - Columbia
3.    Amigos de la Tierra (CESTA) - El Salvador / Friends of the Earth –El Salvador
4.    Amigos de la Tierra (COECOCeiba) - Costa Rica / Friends of the Earth – Costa Rica
5.    Amigos de la Tierra de América Latina y el Caribe (ATALC) / Friends of the Earth Latin America and the Caribbean
6.    Amigos de la Tierra - Paraguay / Friends of the Earth - Paraguay
7.    Amigos de la Tierra - Uruguay (REDES) / Friends of the Earth - Uruguay
8.    Amigos de la Tierra – Argentina / Friends of the Earth - Argentina
9.    Amigos de la Tierra – Espana / Friends of the Earth - Spain
10.    Asia Pacific Forum on Women, Law and Development (APWLD)
11.    Asia Pacific Network on Food Sovereignty [APNFS], Philippines
12.    Buendnis fuer Eine Welt /OeIE (Alliance for One World), Austria
13.    Canadian Council of professional Fish Harvesters / Conseil canadien des pêcheurs professionnels, Canada
14.    Center for Encounter and active Non-Violence, Austria
15.    Centro Internazionale Crocevia, Italy
16.    Comité para la Defensa y Desarrollo de la Flora y Fauna del Golfo de Fonseca (CODDEFFAGOLF), Honduras
17.    Dachverband entwicklungspolitischer Organisationen in Kärnten, Austria
18.    Development Fund, Norway
19.    Dutch Arable Farmers Union, The Netherlands
20.    ETC-group
21.    Focus on the Global South
22.    Food First/Institute for Food and Development Policy, USA
23.    Global Food Security Group of Green Left, The Netherlands
24.    Green Line Association, Lebanon
25.    IBON Foundation, The Philippines
26.    Initiative Colibri
27.    Institute for Agriculture and Trade Policy, USA
28.    Institute for Global Justice (IGJ), Indonesia
29.    Integrated Rural Development Foundation [IRDF], Philippines
30.    KEPA (Service Centre for Development Cooperation), Finland
31.    NAJK (Young Farmers The Netherlands)
32.    Oxfam-Wereldwinkels, Belgium
33.    Pesticide Action Network Asia and the Pacific
34.    PKMP-SUMAPI [National Alliance of Peasant Movements in the Philippines]
35.    Platform Earth, Farmer, Consumer (Platform ABC), The Netherlands
36.    Public Citizen, USA
37.    Research Foundation for Science, Technology and Ecology (RFSTE)
38.    Small and Family Farms Alliance, UK
39.    Solidarity Fund X minus Y, The Netherlands
40.    The Network for Consumer Protection (The Network), Pakistan
41.    Union Paysanne, Canada
42.    Via Campesina
43.    Vredeseilanden, Belgium
44.    Wervel, Belgium
45.    World Forum of Fish Harvesters and Fishworkers / Foro Mundial de Pescadores y Trabajadores de la Pesca



Facebook Twitter Google+ Pinterest