|
|
|
|
16 april: Os pequenos nos morros |
 Zo word ik verwelkomd door Marcolino Alves Leite.: ‘De kleinen wonen in
de bergen’. Hij schetst de landbouwsituatie van Sananduva, een ‘stadje’
in Rio Grande do Sul. Ongeveer 60 km. doorsnede (een halve provincie in
België), 15.000 inwoners, waarvan 70 % in de stad woont. Een minderheid
dus, maar toch 1500 gezinnen van de gezinslandbouw ‘no interior’, in
het binnenland. Sidimar Lavandovski maakte een druk programma.
Zaterdag: bezoek aan de agro-ecologische markt in de stad, twee
radio-interviews, bezoek aan het plaatselijke syndicaat met zijn
coöperatieven, bezoek aan één van de laatste boeren met biosoja, een
middelgrote boer met GGO-soja, middagmaal op een feest van Santo
Expedito, avondmaal bij een familie die de omkeer maakte van
kippenintegratie naar de diversiteit van agroecologische productie.
Zondag: voetbal bij een plattelandsgemeenschap, bezoek van verwerking
rietsuiker en druivensap, project ethanol in boeren handen, pools gezin
met eigen kaas. Maandag: gesprek op commerciële radio, toespraak voor
Consórcio da juventude, toespraak voor 150 leerkrachten uit heel de
deelstaat Rio Grande do Sul. Persontmoeting in Erechim.
Normaal
Zaterdagavond aan een rijk gevulde tafel met de ongelooflijke
productendiversiteit van het eigen bedrijf komt de dag als een film
terug. Of eigenlijk vooral tijdens de aperitief: een likeurachtige wijn
op basis van sinaasappelen. Lekker!
Enkele interessante verdraaiingen die me vandaag opvielen, leg ik even
in de kring: ‘normale GGO-soja’ alsof de gemanipuleerde soja de normale
situatie zou zijn. ‘Eco’ voor een bedrijf dat 2.500.000 gekloonde
plantjes van Pinus en Eucalyptus kweekt. Alsof ‘herbebossing’ met deze
twee exoten een bijdrage zou zijn aan het ecologisch herstel van de
streek. ‘Integração’, het prachtige woord voor integratie: hier dubbel
gebruikt zowel voor de voetbalploeg van morgen, als voor de integratie
van kippen en kippenhouders in de klauwen van enkele multinationale
ondernemingen. Integratie kan herstel betekenen en bevordering van
menselijke relaties. Voetbal als integratiemoment tussen de
verschillende projecten, verbonden met Fetraf in Sananduva. Leven dus!
Integratie is ook de dood in de pot. De boer die met zijn kippen en met
zijn schulden bij de bank geen kant meer opkan.
90 % van de soja in Rio Grande do Sul is ‘transgênico’. Voor 99 % soja
van Monsanto, wat de algemene, ‘normale’ situatie is geworden. Jammer
genoeg was de GGO-boer niet thuis. Anders hadden we even naar zijn
motieven kunnen luisteren.
Normaal? Jaren geleden gaf ik een vriend een poster met de tekst: “Ooit
een normaal mens ontmoet? En beviel het je?” Een poster in spiegelvorm.
Om jezelf te zien, zoals je bent.
Normaal! Wat is normaal? Rio Grande do Sul in de spiegel?
Economie –
ecologie
De twee gebroeders die nog biologische soja inzaaien, zijn wel
op post. Ze zijn hoogst ‘abnormaal’, zo blijkt. Met de gebruikelijke
chimarrão bespreken we de situatie. Tegelijkertijd zien we een grote
buur zijn GGO-soja oogsten. Een heuvelachtig, maar volledig ‘schoon’
gekuist terrein vol soja doemt voor ons op. In het midden stond tot
voor enkele jaren nog een bosje. Toelating vragen om dat te mogen
rooien is onbegonnen werk. De overheid wil namelijk de laatste restjes
oorspronkelijk bos redden. Dus pakken ze’t maar anders aan: elk jaar
bij de grondbewerkingen ‘per ongeluk’ een stukje bos meepakken. Op den
duur is alles klaar en wordt zelfs de heuvel verlaagd en meer egaal
gemaakt, opdat de oogst- en andere machines hun bevrijdend werk zouden
kunnen doen. Het doet me denken aan ‘de wilde wolf en soja’. De laatste
week werd ik langs verschillende kanten aangesproken door boeren die er
perfect het conflict tussen twee landbouwmodellen in beschreven zien.
Én het verscheuren van de natuur door de moderne wolven. Tot mijn niet
geringe vreugde blijkt nu dat de teksten in Terra Solidária en in
andere middens gebruikt worden. Als een spiegel van de werkelijkheid.
Biosoja: out? Het is quasi onmogelijk met het geweld van al die
GGO-soja om je heen. Maar de reden van de afgang ligt nog elders. Tot
eind
jaren ’90 kocht een bedrijf de biosoja op om het aan Japan te leveren.
Tot wel een veertigtal boeren schakelde over op biologische soja. Op
een bepaald moment was het liedje van de export uitgezongen. En zie,
blijkbaar zat de ecologische bekering van de meerderheid niet zo diep.
Vandaag schieten er nog drie telers van biologische soja over. Hun soja
gaat voor menselijke consumptie naar São Paulo. O.a. van deze
leraarboer. Alweer een leraar! Het is alsof zij standvastig de omkeer
doen, tegen de hoofdstroom in. Lerarenboeren aan beide kanten van de
oceaan. Chapeau, companheiros!
Ondertussen werkt de coöperatief Coopvida (‘coöperatief van leven) aan
alternatieven. Ze richtten verschillende agroindústrias familiares op
voor de verwerking van suikerriet, feijão, druivensap. Bij deze mensen
is de verwerking van feijão gevestigd. De oogst van het voorbije jaar
staat er fier in grote zakken opgestapeld. Zelf heeft deze boer 10
soorten bonen. De coöperatief verkoopt 14 soorten.
Maïs en soja anders
Het gesprek bij de appelsienlikeur kabbelt verder. De ‘normale
sojasituatie’ anno 2007 schijnt toch wel heel verschillend te zijn
tegenover de normaliteit tot diep in de jaren ’90. Zoals we al langer
weten, is er op zich niets mis met soja en maïs. Het zijn twee wondere
planten. Soja is al duizenden jaren een heilige plant in China. Maïs is
dat al millennia lang in Midden-Amerika. Ze behoren tot de fundamenten
van heel diverse culturen. Het is het alles overheersende model, de
monocultuur van beide teelten, die dood en vernieling brengt. Sidimar
vertelt: “Tot een goede tien jaar geleden zag ik nog vele boeren maïs
en soja doorheen elkaar zaaien. Zoals maïs en bonen.” Het is inderdaad
een prachtige combinatie: bonen die gratis stikstof uit de lucht nemen
en aan de maïs leveren. Soja of andere bonen die voor proteïnes kunnen
zorgen. Maïs die de nodige energie levert. En zoveel meer. Maïs niet
alleen voor veevoer, zoals in België, maar voor polenta en andere
voedzame gerechten. In Guatemala en in vele andere landen worden nog
altijd bonen en maïs tussen elkaar ingezaaid. In Brazilië zie ik bij de
familiale boeren nog wel veel pompoenen tussen de maïs liggen. De
mijmering bouwt verder: “De boeren bewaarden zorgvuldig hun
verschillende soorten sojazaden. Vandaag moet alle soja bijna
gelijktijdig gezaaid worden en ongeveer op hetzelfde tijdstip geoogst.
Je ziet op dit moment overal een bedrijvigheid aan machines. Het is
natuurlijk interessant voor de industrie om zoveel mogelijk
oogstmachines te verkopen, want ja, bij iedereen moet tegelijk geoogst
worden. Vroeger waren de mensen slimmer: de verschillende soorten soja
zorgden er voor dat je soja en maïs op verschillende tijdstippen kon
inzaaien. Je kon tot tien jaar geleden soja oogsten van maart tot juni.
Uiteraard met de hand, want het was een polycultuur. De mechanisering
en vooral het monopolie op de zaden maakte hier een einde aan.” Iemand
anders neemt over: “De systemen geven elkaar de hand. Het is goed dat
er nu al jaren aan plantio direto (meteen inzaaien na de oogst, zonder
ploegen) gedaan wordt, maar omdat er op een vast tijdstip in oktober
moet gezaaid worden, is de winterbegroeiing nog niet dood. Er wordt in
het huidige systeem niet meer geploegd, wat een enorme vooruitgang is,
want er is minder erosie. Maar omdàt in oktober de soja moet ingezaaid
worden, spuiten de fazendeiros het wintergewas kapot met Roundup of met
een ander product op basis van glyfosaat. De erosie neemt af. Het
chemiegebruik neemt toe. Moesten ze terug sojarassen gebruiken die in
november of december kunnen ingezaaid worden, dan zou er niet moeten
gespoten worden. Zo zie je maar hoe de landbouwsystemen en hun
leveranciers elkaar in stand houden.”
Doux de harde
Gilmar en Ivete
Sagioratto zijn onze gastfamilie. Toen hun oudste dochter in 1991
geboren werd, begonnen ze met hun eerste lote kippen: 6500 stuks. Ze
hielden het vol tot 2005. Ze waren ‘geïntegreerd’ in Frango Sul, later
opgekocht door het Franse Doux. ‘Doux’ in het Frans betekent ‘zacht’,
maar nee, de aanpak van de multinational was
en is bijzonder hard. De boer moet altijd nieuwe investeringen doen.
Bovendien is hij voor heel de toelevering en afname afhankelijk van de
integrator. Eigenlijk hetzelfde systeem, zoals wij in Vlaanderen en
Nederland kennen. Een systeem dat aan de overkant van de oceaan ook
iedereen ‘normaal’ vindt: de boer als lijfeigene van de moderne,
onzichtbare leenheer. De leenheer vermomt in talloze aandeelhouders.
Gilmar moest aan steeds wisselende eisen beantwoorden en altijd opnieuw
zware investeringen doen. Jaarlijks zag hij zich verarmen, dan wel een
inkomen vergaren. Vanuit deze crisis zetten ze hun bedrijf op een
totaal ander spoor. Ze braken de kippenschuur af en keerden terug naar
de diversiteit aan producten van weleer. Bovendien is het niet zomaar
een terugkeer naar oude praktijken, maar naar oude wijsheid die
bevrucht wordt door de nieuwe inzichten van de hedendaagse
agroecologie. Als ik hen vraag, hoeveel teelten en producten ze nu wel
hebben, blijkt dat ze het nog nooit geteld hadden. Het gaat alleszins
in de richting van de diversiteit van Gilso in Seara, de vele eigen
zaden incluis.
Energieproductie op mensenmaat
Creral is een coöperatief
van elektrificatie op het platteland. Ze bezitten twee kleine
stuwdammen voor de opwekking van elektriciteit. Gedecentraliseerd en
met machtsdeling van onderop, wat niet meteen kan gezegd worden van de
grote stuwdammen van Electrabel in Brazilië of van de kerncentrales
Doel en Tihange in België. Dezelfde coöperatief start nu met de bouw
van een fabriekje tussen 17 boeren met weinig inkomen, op een uithoek
van Sananduva. Ze zullen er hun suikerriet kunnen leveren om er ethanol
en cachacha van te maken. De ethanol is voor de boeren zelf en voor de
geassocieerden van de coöperatief in Erechim. Twaalf andere
boerengemeenschappen zullen hun suikerriet op de boerderij tot een
halfproduct verwerken om dan in de fabriek te raffineren. Ik heb vele
vragen bij ethanol- en biodieselproductie, maar in dit geval komt het
mij over als een zinnig pilootproject. Het doet mij een beetje denken
aan de pionier Jan Van Humbeeck in Vlaanderen. Hij heeft geen
fabriekje, maar perst op zijn boerderij koolzaad. De olie gaat naar een
aantal motoren. De eiwitten zijn voor zijn varkens. In Brazilië is de
ethanolproductie al meer dan dertig jaar in handen van de Braziliaanse
suikerbaronnen. In dit verhaal gaat het niet om monocultuur, maar om
beperkte hoeveelheden riet per boerderij. Het levert eigen brandstof op
en veevoer voor de koeien. Dat laatste kan een industrialisering van de
melkveehouderij meebrengen, waar ik mijn hart voor vast houdt.
Interessant is wel dat de coöperatief mee gedragen wordt door de
boeren. Noch de koolzaadolie in Europa, noch de ethanol uit suikerriet
zijn een oplossing voor het wereldenergieprobleem. Met zo’n productie
voor het wereldwagenpark zouden we wel zes aardes nodig hebben. Hier in
de bergen betekent het een welkome diversificatie en een extra inkomen
voor de arme boeren in een erg afgelegen streek.
Morgen moet ik nog
spreken voor ‘Consórcio da juventude/Consorcium van de jeugd’, het
jeugdzusje van Terra Solidária. Het voorbije weekend heb ik weer aan
den lijve kunnen ondervinden hoe belangrijk zulke vormingsprocessen
zijn. Veel van de veranderingsprocessen, die we deze dagen mochten
meemaken, spruiten voort uit de eerste cyclus van Terra Solidária, anno
1999-2001. Ook vele boerenleiders in heel Zuid-Brazilië stonden uit
deze intense vorming op.
De kleinen komen uit de bergen en laten zich niet langer kleineren.
Sananduva, 15 april 2007.
|
|
|
|