|
In
Concórdia komt voor de laatste keer dit jaar de cursusgroep van Terra Solidária
samen. Het is ook meteen een evaluatiemoment van de voorbije cursus over
‘ontwikkeling’. Er werd me gevraagd om een uiteenzetting te geven over
‘voedselsoevereiniteit’. Kwestie van de basis te betrekken bij het wereldwijde
congres in Mali, eind februari 2007 (1). Het is ook al een beetje een aanloop
naar de volgende lesmodule: ‘Leefmilieu en agroecologie’.
Het is echt
wel interessant om de dynamiek en de evaluatie van zo’n plaatselijke groep mee
te maken.
‘Aurora’ of
waar het ochtendgloren van herstel zich aandient
’s
Namiddags gaan we per bus op bedrijfsbezoek. Opvallend is dat we met ‘gangbare
boeren’ bij een agroecologische boer te gast zijn, Gilso en Jovania Paludo
Giombelli (2) met zijn gezin. Midden in de bergen, in Seara. Tegelijkertijd
bezoekt de studiegroep van Galvão 130 kilometer hogerop een gelijkaardig
bedrijf, bij Alavo Ghedini. Je ziet: opvallend veel afstammelingen van Italiaanse
immigranten.
Familie
Giombelli probeert aan herstel te doen op een bedrijf dat door hun voorgangers
volledig in de lijn van de Groene Revolutie werd uitgebouwd. Hier en daar zie
je nog eucalyptus tussen de andere bomen, maar het is de bedoeling om die stilaan
te laten verdwijnen. Hun buren zitten duidelijk in de klauwen van de
integratieteelt. Bij aankomst sloeg de schrik me om het hart dat we bij varkens
en kippen in grote hokken zouden terechtkomen. Een plakkaat van integrator
‘Aurora’ leek ons te verwelkomen. Nee, gelukkig stapten we nog iets verder om
het leven te delen van ‘zij die de omkeer doen’. De buren zorgen nog wel voor
de indringende geuren van vetmesterijen. Brazilië is sinds 2005 de grootste
uitvoerder van kippenvlees en we zullen het geweten hebben!
Slingerpatatten
Het gaat om een lote van 15 hectares op een berg. Onder een snikhete zon
bestijgen we het terrein. Ik hoor de coördinator van het syndicaat in Concórdia
verwonderd zeggen: ‘Differente, nè’. Inderdaad, het bedrijf laat zien dat
omkeer uit een doodlopende weg naar nieuw leven wel degelijk mogelijk is.
Een gezonde
afwisseling van akker en bos zorgt ervoor dat je als boer niet ten onder moet
gaan in de hitte. Als het ’s namiddags te heet is, ga je gewoon in het bos
werken. Blijkbaar kan zo’n bos op een bedrijf best vruchtbaar zijn. Ja, er
staan nog enkele eucalyptussen, maar vooral veel nieuw aangeplante soorten.
Bomen die voor houtproductie kunnen zorgen en inheemse vruchtbomen: araçá,
butiá, pitanga, cereja, guabiroba, sete capotas en guamirim.
Het is de
bedoeling dat het bedrijf (bijna) alles kan voortbrengen wat het gezin nodig
heeft. Ze hebben dan ook meer dan 50 teelten… en - blijkt aan het eind van het
verhaal - evenveel zaden, die als goudkorrels bewaard worden. In het bos staan
niet alleen bomen, maar ook de Chu Chu slingert er in de bomen. Een
eigenaardige soort patat, de ‘cará áereo’ doet hetzelfde. Je hebt ze in slingervorm en in
een versie die vruchten op de grond geeft. De slingerpatat kan knollen leveren,
die tot 500 gram wegen en dit tot 10 kilogram per plant.
We stappen
langs kleine wegen, die vol staan met een rijkdom aan vruchtgevende planten.
Walletjes en zelfs wegen kunnen opbrengen, zo blijkt. Zijn het geen medicinale
planten, dan toch aardappelen of pompoenen. Verder: de "quino", zoete
patat, mini-aardappeltjes (batatinhas), maxixe, maniok, porongo doce, aardnoten
zoveel meer. En de
Pinheiro? Wel, die is
bijna uitgeroeid in Santa Catarina. Gilso: ‘Laten we hem terug aanplanten. Onze
voorouders en vooral de indios waren veel slimmer. Één hectare pinheiro kan
meer opbrengen aan eiwitten dan één hectare soja.” Bovendien moet je het bos er
niet voor rooien. Integendeel, je kan Chu Chu en patatten in de bomen laten
slingeren. Je kan maniok planten en zoveel meer.
Het gaat
niet om geïsoleerde opbrengst
Eigenlijk
denkt Gelso niet in opbrengst per hectare. Als iemand hem vraagt: ‘Hoeveel maïs
heb je op zo één hectare?’, dan blijft hij het antwoord schuldig. Zijn
hoofdschudden is te begrijpen, want hij heeft natuurlijk geen hybride maïs van
Pioneer staan. Nee, hier mag een semente creola staan, die hij meebracht van de
Guarani in Paraguay. ‘Milho Tchipa’ genaamd of nog: ‘milho avati
moroti’. Het is de maïs die
als eerste voedsel aan de kinderen wordt gegeven, na de borstvoeding.
Op zo’n
hectare staat niet alleen maïs. Er slingeren zich ook pompoenen, meer dan tien
soorten bonen (feijão de corda) en andere vruchten tussen de opschietende
stengels. Bovendien gaat het hem niet alleen om de maïskolf. Van de plant kan
je prachtig artisanaat maken. Zijn vrouw maakt trouwens ook mooie halssnoeren
van de verschillende gekleurde zaden op het bedrijf. Maïs en verschillende
kleuren bonen horen daarbij. Je kan dus veel meer inkomsten van zo’n ‘hectare’
halen, dan alleen maar de maïskorrels voor menselijke of dierlijke consumptie.
In het
voorgeborchte van het huis worden we ontvangen met tererê. Inderdaad, voor hen
is het chimarrão met warme erva mate in de winter en de frisse tererê in de
zomer. Boven ons zwermt een inheemse bijensoort, de ‘jataí’ ou ‘mirim’. Bijen zonder angel! Ideaal dus om
hen een nest aan te bieden op je terras en zo opperbeste honing in huis te
halen. Zoals de Guarani geven ze deze honing ook aan de kleine kinderen.
Een vogeltje, de ‘coleirinha’, trekt zich niets
aan van de drukte en komt verder broeden tussen het gezelschap. De groep uit
regelmatig vreugdkreetjes bij al dat moois, bij al dat ‘differente’: ‘Meu
Deus!’. Of, een variant: ‘Meu …(‘Deus’ onder verstaan, maar niet uitgesproken.
Een beetje zoals bij de Joden. ‘Spreek de Naam van de Heilige niet uit’.).
We zijn nu
in twee groepen. De vrouw laat haar prachtige artisanaat zien op basis van
‘sementes creolas’. Gilso leidt ons in de wondere wereld van zijn aarden huis
rond. Inderdaad, bij aankomst viel ons meteen een nieuw gebouw op. Het deed mij
denken aan experimenten die ik ook hoe langer hoe meer in Vlaanderen terug zie:
leembouw. Laat dit een variant zijn. Doelstelling van de familie is niet alleen
van zich te voeden met de enorme diversiteit op het bedrijf. Het is ook zaak om
een huis te kunnen bouwen met materialen uit de buurt. Het gaat om een gebouw
met dikke muren, op basis van gevulde zandzakken. In tien dagen tijd bouwden
drie mensen, zonder enige bouwkundige ervaring, de muren van het aantrekkelijke
gebouw op. Het is buiten ondraaglijk heet, maar het is opvallend hoe koel het
in dit gebouwtje is. Koel in de zomer en warm in de winter, door eenvoudige
maar vernuftige systemen. Het is dan ook een goede ruimte om de vele bokalen
met tientallen eigen zaden te bewaren en fier aan de gasten te tonen.
In het
huisje heeft hij een kleine molen staan om ‘a hora’ te malen. Vlak voor het
bakken.Dit in kleine hoeveelheden en vers malen schijnt de smaak van tarwe,
maïs en andere granen serieus te bepalen.
Inspiratie?
Dat blijkt
dan ook bij het afscheid: in een bijna eucharistisch gebaar reikt de
vrouw ons
een stuk volkorenbrood aan. Inderdaad, zelden zo’n smaakvol brood in
Brazilië
gegeten. Ja, ze hebben hier iets van de boer-bakker Supiot die we in
Frankrijk ontmoetten. Het verschil is misschien dat deze mensen
het vanuit een opvallende christelijke inspiratie doen, wat je dan weer
in
Europa bijna niet vindt.
Blijkbaar
werkt hun voorbeeld aanstekelijk. Om 16u. verlaten we het bedrijf. Een tweede
groep komt aan. Op zoek naar nieuwe, àndere wegen.
Luc
Vankrunkelsven,
Seara, 16
december 2006.
PS. Na de rijke dag zit ik met de jonge
leerkracht,
Silvete, te wachten. In Seara, voor de bus richting Chapecó. We
mijmeren wat
over de voorbije dag. Plots zie ik een tekst op haar schooltas
schitteren in
waarheid. Naast de prachtige term Terra Solidária lees ik:
“Em chão que se planta educação, colhe-se uma terra solidária”. Dat is
echt wat hier gebeurt: Op grond waar je vorming plant, oogst je
een solidaire aarde.”
1. http://nyeleni2007.org/?lang=pt&lang_fixe=ok
2. Gilso
Giombelli werkt voor APACO: Associação dos Pequenos Agricultores do Oeste
Catarinense/Organisatie van kleine boeren van West-Catarina. Gilso en
Joviana hebben lak aan praters zonder praktijk. Gilso vertrouwt me nog toe dat
ze indertijd zeer gevormd werden door de ‘Pastoral da juventude/
Jeugdpastoraal’. Ze werken in de lijn van de bevrijdingstheologie, meer bepaald
vanuit de ideeën van Leonardo Boff. Gilso: “Men moet geloven om te zien. Men
moet wat doen om te laten gebeuren. We zien vele mensen praten over landbouw,
maar niet aan landbouw doen. We zien velen de landbouwers vertegenwoordigen,
maar het zijn geen boeren. We zien veel mensen praten over agroecologie, maar
ze doen niet aan agroecologie. Velen praten over productie van voedsel voor
eigen consumptie, maar ze produceren niet. Velen begeleiden de agroecologische
productie en consumeren conventionele producten. Velen spreken over herverdeling
van inkomen, maar ze delen niet het hoge salaris van hun hogere opleiding.
Velen hebben het over de bescherming van de agrobiodiversiteit, maar slagen er
niet in om daar iets aan te doen. Deze en andere overwegingen inspireren ons om
onze uiteenzettingen meer in praktijk te brengen en permanent maken we de
reflectie wat we nog meer kunnen doen om meer duurzaamheid in onze bioregio
te realiseren.
Woorden overtuigen; de effectieve praktijk
ontroert. We zijn vanuit onze religieuze basis overtuigd dat de bescherming van
het leven dagelijks moet gebeuren en niet sporadisch.”
|