 Mijn kinderoren spitsen zich telkens opnieuw bij typische Braziliaanse uitdrukkingen: ‘Limpar a roça’ (het terrein opkuisen, d.w.z. bomen verwijderen, biodiversiteit reduceren), ‘Limpar o ônibus’ (een autobus overvallen en de passagiers hun geld afhandig maken),… ‘Matar a sede’ (de dorst ‘doden’; dorst lessen dus); ’matar a fome’ (de honger doden; eten dus); ‘matar a saudade’ (de heimwee doden; heimwee een plaats geven?), ‘Matar o tempo’ (de tijd doden; kennen wij ook), etc. Ook ‘guerra’/’oorlog’ is een veelvuldig gebezigd woord.
Terwijl mijn bus Salvador da Bahia - Itaberaba in pan valt, wordt in Itinga een bus ‘gekuist’. Jonge rovers verplichten de passagiers hun geld en waardevolle bezittingen af te geven. De buschauffeur moet zijn GSM inleveren. Hij zegt dat hij er eerst zijn chip met gegevens wil uitnemen. De man wordt ter plekke doodgeschoten. Limpo. In Itinga wonen, zoals in zovele Braziliaanse favela-achtige buurten, tienduizenden mensen die de plattelandwoestijn ontvlucht zijn. Met veel verwachtingen op een beter leven komen ze dikwijls in een stadswoestenij terecht. Natuurlijk geeft het opkuisen van zo’n bus een akelig en onveilig gevoel. Natuurlijk is zo’n moord een verschrikking, maar vanuit welke (al dan niet collectieve) wanhoop en vanuit welke kwetsuren doen jongeren zulke onmenselijke daden?
Des te meer we Salvador verlaten, des te schraler het landschap wordt. Diverse vormen van de Caatinga (1) lossen elkaar af. In Itaberaba praten we met één van de ‘vaders’ van de ananasinvasie en –monocultuur, gebaseerd op veel gif. Hij is fier dat ze in deze streek van de semi-árido (half-woestijn) met een aangepaste ananassoort een ‘duurzame’ economie konden opbouw. Ja, dat woord ‘duurzaam’ wordt alweer gebruikt, terwijl de streek door vernietigende ontginning en monocultuur nog meer naar een echte woestijn aan ’t evolueren is. Terwijl hier ananas de baas is, heerst verderop in Bahia de soja. Sojawoestijnen. Ananaswoestijnen. Suikerrietwoestijnen. Katoenwoestijnen. Eucalyptuswoestijnen. Na verloop van tijd gewoon: woestijnen.
Het leven in Itaberaba valt om 15u. stil. Doodstil. Nee, geen Goede Vrijdag. Jezus sterft niet aan het kruis. Om 15u. begint de match Brazilië- Noord-Korea. Wekenlang zorgt de Wereldbeker voetbal in Zuid-Afrika voor nationalisme-opstoten. Wereldwijd. Bert Wagendorp, columnist bij de Nederlandse Volkskrant schrijft: “Het Oranjegevoel geeft ons weer een beetje de illusie één volk te zijn, met een gezamenlijk beleefde droom. Het gevoel dat verbindt en verbroedert. Het is een vriendelijke vorm van nationalisme, bij gebrek aan oorlog en andere sterke symbolen van nationale eenheid. De Engelse sportsocioloog Richard Giulianotti noemt voetbal ‘één van de grote culturele instituties die de nationale identiteit vormgeven en bijeenhouden’, en elk WK bewijst weer hoe waar dat is, niet alleen bij ons. (…) Door ons Oranjevertoon laten we de rest van de wereld zien wie we zijn en wat we zijn. Het is een verzoek om erkenning en een vorm van zelfbevestiging: wij doen er heus nog wel toe. De Oranjegekte toont ook onze twijfel, ons minderwaardigheidscomplex en hoe we ten prooi zijn aan verwarring over onze identiteit. De bal als baken – erg stevig is het niet.” Hoe moet ik dit naar Brazilië vertalen? Ik weet het niet. Wat ik wel hoor, is dat bij elk doelwit Itaberaba davert van het vuurwerk. De straten zijn doods tijdens de match, maar stromen vol na de overwinning. Ongeveer iedereen heeft een T-shirt aan. In de nationale kleuren en met het nummer van de favoriete voetballer. De straten hangen vol snippers met de nationale kleuren. Er treedt deze weken een wonderlijke versmelting samen van de ‘festa junina’ (een week feest rond het feest van Sint Jan De Doper) met de World Cup. Zo’n versmelting moet het geseculariseerde Nederland ontberen. Of is voetbal met zijn rituelen en symbolen ook een vorm van religie?
Tussen de ananassen moet ik terug denken aan een gesprek met drie jonge vrouwelijke religieuzen. Ze zijn juist vanuit deelstaat Pernambuco in Itinga neergestreken. Hun optie is om gewoon tussen de arme mensen de hitte van de woestenij te ondergaan. Een contemplatieve en werkende aanwezigheid, misschien met het effect dat enkele bloemen in de woestenij gaan bloeien. Eén zuster komt van deelstaat Piauí en groeide op in een geëngageerde familie binnen de strijd om grond. Een MST-familie. Een andere komt uit deelstaat Maranhão. Ze vertelt over de ruwe invasie vanuit ‘het zuiden’, door de ‘Gaúchos’: “De mensen beginnen te lamenteren. Ze vinden geen vruchten meer. Het waterpeil zakt. De hitte neemt toe. Ze worden meer door slangen gebeten dan vroeger. Het is alsof de woestijn begint op te rukken.”
Momenteel worden in Itinga honderden woningen neergepoot. In het kader van ‘Minha casa, minha vida’. Interessant en goed, maar zoals elders in Brazilië zijn het betonwoestijnen. Als kippen zitten de gezinnen dicht op elkaar. Aan bomen of wat groen werd niet gedacht. Is een ecovila dan toch alleen voor middenklassers en voor de elite weggelegd? In 2012 is het Copa do Mundo in Brazilië. Salvador zal dan blinken. De armen samen gezet in Itinga. Salvador limpo. Hoeveel bussen zullen er nog moeten gekuist worden, voor er iets fundamenteels aan het oprukken van de stadswoestenij wordt gedaan?
Itinga, Bahia, 17 juni, Internationale woestijndag en dag tegen de droogte.
(1) De Cerrado (Braziliaanse savanne) en de Caatinga (droger gebied in het Noord-Oosten met typische schrale begroeiing) omvatten samen 30 % van het Braziliaanse grondgebied. Beide ecosystemen zijn niet als ‘Património nacional’ erkend. Dus niet beschermd.
|