spacer
spacer
       
Home
Lees de voedselkrant
 

Is onze gangbare vlees- en visconsumptie duurzaam?
Share/Save/Bookmark

Op 17 november 2007 vond een studiedag over de milieu- en sociale gevolgen van vleesconsumptie plaats, georganiseerd door EVA vzw en Wervel in samenwerking met de Universiteit Gent. Gedurende de namiddag leverde Wervel een bijdrage aan deze studiedag onder de titel: “Food, feed en fuel. De wereldwijde impact van ons consumptiepatroon”. De woordvoerders waren Luc Vankrunkselven & Patrick De Ceuster. Als interne voorbereiding op de studiedag schreef Gert Coppens een dossier over de mogelijke samenhang tussen veeteelt en honger.

Hier volgt de inleiding van het dossier en hoofdstuk 4: Nutriëntenconversie.

Veeteelt en honger

“Veevoeder is een reductie van voedingsmiddelen” uitspraak van Paulo Mayer<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]-->

0.1 Inleiding

Deze studie wil de vraag beantwoorden of er een samenhang bestaat tussen honger en de diverse vormen waarin de veeteelt beoefend wordt. Zijdelings komt ook de viskweek ter sprake.

De indeling is in hoofdlijnen:

<!--[if !supportLists]-->-         vormen van veeteelt<!--[endif]-->

<!--[if !supportLists]-->-         herkomst van de voeders<!--[endif]-->

<!--[if !supportLists]-->-         grondgebruik<!--[endif]-->

<!--[if !supportLists]-->-         nutriëntenconversie<!--[endif]-->

<!--[if !supportLists]-->-         menselijke voeding<!--[endif]-->

Tot slot komt dan in de conclusie de vraag aan de orde of bepaalde vormen van veeteelt en viskweek verband houden met of zelfs de oorzaak kunnen zijn van honger.

Voor de vleeshandel wordt verwezen naar Annex 1.

0.2 Het algemene beeld

De vraag naar vlees van runderen, varkens, schapen en gevogelte stijgt met de koopkracht. Bovendien heeft de mens als nazaat van de jager-verzamelaar een hang naar het eten van vlees. De wereldvraag naar vlees stijgt ieder jaar. In 1950 was de totale vleesproductie 47 miljoen ton; in 2000 233 miljoen ton; in 2005 260 miljoen ton. De wereldvraag naar vlees stijgt eens zo snel als de bevolkingsaanwas. De jaarlijkse wereldvleesconsumptie steeg van 17 kg in 1950 naar 40 kg/persoon in 2005<!--[if !supportFootnotes]-->[2]<!--[endif]-->.

In deze nieuwe situatie is de verschillende efficiëntie waarin graan en ander krachtvoer wordt omgezet in dierlijk gewicht bepalend voor de productieontwikkeling. Rundvee met beperkte uitloop vraagt ruwweg 7 kg krachtvoeder per toegevoegde kilogram levend gewicht. Bij varkens is de verhouding 4:1; kippen doen het beter: de verhouding is daar iets meer dan 2:1. Vissen vragen per kg extra gewicht minder dan 2 kg krachtvoer. Vissen zijn dus in de voederconversie de meest efficiënte dieren.

Er zijn drie manieren om bij gelijke krachtvoerderconsumptie de dierlijke productie op te voeren:

(1) een uitgekiende bedrijfsvoering en eventueel gebruik van voederadditieven;

(2) een verschuiving van rundvee- en varkensteelt naar teelt van gevogelte en viskweek;

(3) toch vasthouden aan de rundveeteelt met daarbij slechts een beperkte inzet van krachtvoeders. Immers herkauwers zijn bij uitstek in staat om grassen en ander ruwvoer om te zetten in vlees en melk.

 

De jaarlijkse groei van de dierlijke wereldproductie in de periode 1990-2000 verschilt per sector: aquacultuur: 11,4%; gevogelte: 4,9%; varkens: 2,5%; runderen: 0,5% en visvangst in open zee: 0,1%.

(Nb cijfers voor de visteelt en visvangst hebben betrekking op de periode 1990-'98.)

De gegevens zijn ontleend aan de FAO.


De wereldproductie van varkensvlees, waarvan de helft in China, overtreft vanaf 1979 de rundvleesproductie. Het verschil neemt jaarlijks toe. De groei van de viskweek gaat zo snel dat binnen 10 jaar de viskweek de rundvleesproductie zal overstijgen.

De visvangst in open zee is sinds 1990 niet merkbaar gegroeid, ondanks de piekende vraag naar vis en schaaldieren. Het antwoord op die vraag is de groei van de aquacultuur van 13 miljoen ton vis in 1990 tot 31 miljoen ton in 1998 en 42 miljoen ton in 2003, een groei van meer dan 10% per jaar.

China is de grote trekker in aquacultuur: 2/3 van de wereldproductie. Voor de helft komt die productie uit de Chinese kustgebieden, voor de andere helft uit het Chinese binnenland. In de kustgebieden worden vooral schaaldieren gekweekt. De aquacultuur aan de kust leidt tot veel milieuschade.

In het Chinese binnenland wordt vooral vis gekweekt in vijvers, meren, bekkens en natte rijstvelden. Een oppervlakte van ongeveer 5 miljoen ha is bestemd voor de visteelt, voor het merendeel karpers. Bovendien wordt in 1,7 miljoen ha natte rijstvelden ook vis gekweekt.

China heeft verschillende karpersoorten. Sommige leven van plankton, maar er is ook een graskarper die leeft van vegetatie, terwijl de gewone karper leeft van bezinksel en slib op de bodem. Aquacultuur in China gaat nauw samen met de landbouw; zo kapt men varkens- of eendenmest in de vijver als voedsel voor plankton dat vervolgens door de vissen wordt gegeten. Ook India en Brazilië kennen zulke ontwikkelingen.

Als de Chinese viskweker niet kan uitbreiden gaat hij ertoe over om granen bij te voeren om zo de productie per oppervlakte-eenheid te vergroten. In 1990 was de opbrengst 2,4 ton vis per ha; in 1996 al 4,1 ton.

In de VS wordt vooral meerval gekweekt, 270.000 ton per jaar op een vijveroppervlak van 45.000 ha.

De teelt van zalm, een carnivoor, en van garnalen brengt het milieu veel schade toe. Toch gaat het maar om een totaalproductie van 1,5 miljoen ton per jaar. Dominant op wereldvlak zijn plantenetende soorten, vooral karpers in China en India, meerval in de VS en tilapia in diverse landen.

Buiten de meestal extensief, maar bij uitzondering ook intensief begraasde weidegronden is er een grotendeels nog niet gerealiseerd potentieel aan voeders in de vorm van teeltresten zoals rijst- en tarwestro en maïsstengels. Deze zijn geschikt voor de herkauwers: runderen, schapen en geiten, die door dit te eten de mens geen concurrentie aandoen. Zo is de graanteelt bovendien tweemaal nuttig.

In India treden de waterbuffels en de koeien op de voorgrond; zij verteren al wat ander vee niet verwerken kan. India is zeer succesvol in de melkproductie: 20 miljoen ton in 1961 en 79 miljoen ton in 2000. In 1997 streefde India de VS voorbij als wereldleider in melkproductie. Weliswaar is de productiewijze totaal verschillend.<!--[if !supportFootnotes]-->[3]<!--[endif]--> De Indiase runderen eten hoofdzakelijk teeltresten en grassen; het graan blijft beschikbaar voor menselijke consumptie.

Per hoofd van de bevolking die intussen ook snel aangroeide, was de Indiase melkproductie in 1961 0,9 liter per week en in 2000 1,5 liter. Voor westerse begrippen een lage waarde, maar een welkome toename in een land dat hongert naar eiwitten. India is op wereldvlak een karige gebruiker van eiwitten, zoals we later zullen zien. De structuur van de zuivelindustrie van India is uitzonderlijk omdat de melk bijna geheel door kleine boeren wordt voortgebracht die hoogstens drie koeien hebben. De melkproductie is sterk verweven met de landbouw. Voor naar schatting 70 miljoen boeren is de melkproductie een voorname bron van een aanvullend inkomen. Ook op kleine schaal is de zuivelproductie arbeidsintensief: verzamelen van ruwvoer in geval de runderen op stal staan, melken en de melk transporteren naar de markt. Het houden van wat koeien en een buffel levert ook mest op die dient als bemesting van het veld of in gedroogde vorm als brandstof om op te koken. Als er andere energievormen beschikbaar komen om te koken, kan er meer mest naar het veld gaan.

In China is het beeld gelijksoortig: gehakselde maïs<!--[if !supportFootnotes]-->[4]<!--[endif]--> en rijst- en tarwestro en andere oogstresten gaan naar runderen en schapen: naar schatting een totaalgewicht van 500 miljoen ton per jaar. Toch wordt thans nog veel hiervan verbrand, gewoon om er van af te geraken of als brandstof in de keuken.

Het voordeel van dierlijke mest op het veld is toename van organische stoffen, die bovendien de bodem verluchten en het vermogen om water vast te houden verhogen en zo bijdragen aan een betere productie. Veeteelt op basis van hoofdzakelijk ruwvoer is noodzakelijkerwijze een lokaal gebeuren omdat dit voer te volumineus is om over lange afstanden vervoerd te worden.

Als de granen schaarser worden, zoals nu lijkt te gebeuren, zullen ook landen zoals de VS, Canada en Frankrijk het voorbeeld van India gaan volgen en meer teeltresten voeren aan herkauwers.

Als we aan sojabonen denken, verwerkt in tofu, sojaburgers of andere vleesvervangers, vergeten we gemakkelijk dat het merendeel van de sojaboon naar het vee gaat; zie het volgende hoofdstuk. Het verwerken van sojameel in de krachtvoeders voor het vee heeft de efficiëntie van de omzetting van granen die deel uitmaken van het veevoeder, aanzienlijk verbeterd, vooral de conversie in dierlijke eiwitten.

De wereldproductie aan sojabonen bedroeg in 2005 220 miljoen ton, ofwel 1 ton op 9 ton geproduceerd graan. Van de 220 miljoen ton sojabonen werd ongeveer 15 miljoen ton omgezet in tofu of andere vleesvervangers. Het merendeel van de overblijvende 205 miljoen ton werd, na aftrek van wat bewaard wordt als zaad, chemisch geëxtraheerd tot 33 miljoen ton sojaolie met als tweede product sojameel, 144 miljoen ton. In 2006 ging ongeveer 2 miljoen ton (7%) van deze 33 miljoen ton sojaolie de markt op als biodiesel.

Van de wereldgraanproductie gaat op dit moment 38%, ofwel 730 miljoen ton in veevoeders.

Hoewel de krachtvoersamenstelling voor het vee naar plaats en tijd sterk varieert, kan grofweg gesteld worden dat de verhouding granen op sojameel 5 op 1 bedraagt. In de VS is het aandeel van het sojameel in het voeder gestegen van 8% in 1964 naar ongeveer 18% nu. In Brazilië maakt sojameel ongeveer 21% uit van het diervoer. In China klom het van 2% in 1991 naar 20% in 2002. Voor de viskweek gebruikte China in 2003 ongeveer 5 miljoen ton sojameel op 16 miljoen ton granen.

Doordat het sojameel de efficiëntie van voederconversie sterk verhoogt, is de laatste 20 jaar de vraag naar granen in het veevoeder nauwelijks verhoogd in groot contrast met de vraag naar sojameel. De sojaboonteelt leverde in 1950 16 miljoen ton op, wereldwijd; in 2005 bijna het veertienvoudige, 220 miljoen ton. De efficiëntieverhoging van de voederconversie door sojameeltoevoeging is in de ontwikkelde landen vrijwel op zijn hoogtepunt; in de ontwikkelingslanden ligt hier echter nog een potentieel. Of het realiseren van dit potentieel raadzaam is, roept vraagtekens op. Het zou betekenen dat op nog grotere schaal dan nu al het geval is, eiwitrijke grondstoffen afkomstig van veelal andere continenten moeten worden ingezet.

0.3 Gebruikte informatiebronnen

- Restructuring the Protein Economy, Chapter 7. Feeding Everyone Well
Lester R. Brown, Eco-Economy: Building an Economy for the Earth (W.W. Norton & Co., NY: 2001). (verwerkt in de inleiding)

- Producing Protein More Efficiently; Chapter 9. Feeding Seven Billion Well
Lester R. Brown, Plan B 2.0: Rescuing a Planet Under Stress and a Civilization in Trouble (NY: W.W. Norton & Co., 2006). (verwerkt in de inleiding)

- World Development Report 2008, Agriculture for Development; the World Bank, Washington, D.C.; May 2007 (WDR)

- Livestock’s Long Shadow, Environmental Issues and Options; FAO, Rome, 2006

(auteurs: Henning Steinfeld, Pierre Gerber, Tom Wassenaar, Vincent Castel, Mauricio Rosales en Cees de Haan.) (LLS)

- Stijgende vleesconsumptie: het milieu betaalt de prijs; Een studie van het Brussels Observatorium voor Duurzame Consumptie; Mei 2007 (BODC)

Het Brussels Observatorium voor Duurzame Consumptie is een partnerschap tussen

OIVO en Leefmilieu Brussel (BIM); het wordt gesteund door de minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid.

- Handboek Ecologische Voeding, auteur Diana Lauwers; uitgave van VELT (hfdst 5)

- Diverse andere gegevens zijn ontleend aan de website van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (www.fao.org)  en die van IFPRI, International Food Policy Research Institute (www.ifpri.org).

 

Hoofdstuk 4 – nutriëntenconversie

4.1. Inleiding

Als het over vlees, zuivel en eieren gaat, concentreert de nutriëntenconversie zich op de eiwitten. De groei en instandhouding van alle levensvormen zijn een kwestie van stofwisseling en van omzetting van anorganische in organische stoffen. Organische stoffen zijn de bouwstenen van het leven, zoals dat zich manifesteert in planten en dieren (en mensen).

Eiwitten bestaan altijd uit één of meerdere stikstofatomen. Stikstof komt in de natuur in overvloed voor. De lucht bestaat voor ruim 78% uit stikstof, N2.

4.2 Anorganische stikstof

Zie tabel en beschrijving (ontleend aan: www.lenntech.com/lucht-samenstelling.htm)

 

Tabel 4.1 Chemische samenstelling van normale omgevingslucht

 

Stof

% van het volume in droge lucht

Stikstof (N2)

78.09%

Zuurstof (O2)

20.94%

Argon (Ar)

0.93%

Koolstofdioxide (CO2)

0.03%

Neon (Ne)

0.0018%

Helium (He)

0.00052%

Methaan (CH4)

0.00022%

Krypton (Kr)

0.00010%

Distikstofoxide (N2O)

0.00010%

Waterstof (H2)

0.00005%

Xenon (Xe)

0.00008%

 

Deze tabel geeft de chemische samenstelling van lucht weer. De concentraties die in de tabel zijn weergegeven blijven constant of variëren erg langzaam.

 

De volgende stoffen komen variabel in geringe concentratie in de lucht voor:

Water(damp) > variabel 1% van het volume

NaCl

HCl

NO2

O3

SO2

HF

Aarde

Pollen

Bacteriën

Sporen

Gecondenseerde nuclei

 

De samenstelling van lucht is min of meer constant. Lucht is een mengsel en geen verbinding.

NB lucht bevat ook pollen, bacteriën, sporen en stofdeeltjes (denk maar aan “diesel exhaust particles”).

4.3 De vorming van organische stikstofverbindingen

Bepaalde plantensoorten, zoals de vlinderbloemigen, kunnen met de hulp van bacteriën anorganische stikstof uit de lucht direct binden en afzetten in wortelknolletjes.<!--[if !supportFootnotes]-->[5]<!--[endif]--> De meeste planten zijn uitsluitend in staat om stikstofverbindingen die aanwezig zijn in organische stoffen in de bodem op te nemen en om te zetten in bouwstenen voor zichzelf en hun zaad.

In de biochemie wordt intussen gezocht naar methoden om te bewerken dat ook andere gewassen dan vlinderbloemigen in staat zijn om de stikstof uit de lucht direct te binden en af te zetten in wortelknolletjes.<!--[if !supportFootnotes]-->[6]<!--[endif]-->

Het zijn zover nu bekend de Rhizobiumbacteriën die in symbiose met vlinderbloemigen instaan voor de omvorming van anorganische in organische stikstof – een essentiële stap in de richting van hogere levensvormen.

Als eenmaal de plantaardige eiwitten gevormd zijn, komen zij als voedsel ter beschikking van de dieren (en de mensen) die daaruit via de spijsvertering de aminozuren vrij maken die op hun beurt worden gebruikt om lichaamseigen eiwitten aan te maken.

4.4 De eiwitconversie in de veeteelt

Tabel 4.2 maakt onderscheid tussen de inputs die eventueel ook voor directe menselijke consumptie geschikt zijn en de totale input aan diervoeders voor de verschillende diersoorten. De herkauwers springen eruit als zeer inefficiënte omzetters van plantaardige naar dierlijke eiwitten, maar omdat hun aanspraak op competitieve eiwitbronnen geringer is dan die van varkens en kippen, zijn ze per slot van rekening toch interessant voor de mens als leverancier van eiwitten wat vlees betreft, maar vooral wat betreft zuivel.

Voor zuivel heeft een koe zelfs iets minder concurrentiëel eiwit nodig dan dat zij produceert. De herkauwers springen er als gunstig uit omdat zij anders dan de eenmagige dieren, de niet-herkauwers, in staat zijn om eiwitten te ontlenen aan grassen, teeltresten en ander ruwvoer. In dat opzicht is de situatie in Zuid- en Oost-Azië van belang. Daar is sprake van een grote inzet van teeltresten en ruwvoer. Bovendien hebben die regio’s nog een groot potentieel op dat gebied. (zie hoofdstuk 2)

 

Tabel 4.2 Omzetting van plantaardig in dierlijk eiwit

 

omzetting van de totale en de competitieve eiwitbronnen van plantaardige oorsprong en het verlies daarbij

 

totale input

competitieve input

herkomst

Per geproduceerde eenheid

Per geproduceerde eenheid

herkauwer

 

 

Rund (vlees)

7,11

2,30

Schaap (vlees)

14,50

1,90

Zuivel

4,10

0,95

(gemiddelde)

(8,57)

(1,72)

niet-herkauwer

 

 

varken

5,92

5,50

braadkip

3,91

2,50

legkip

3,91

2,20

(gemiddelde)

(4,58)

(3,40)

 

cijfers van Wilson (1980)

cijfers van Cunha (1982)

(ontleend aan Rumsey, 1982; Journal of Animal Science, Vol.58, No. 6, 1984; blz 1462)

 

 

De cijfers in tabel 4.2 die zijn ontleend aan een Engelse publicatie uit 1984, geven een beeld van de omzetting van de totale en de competitieve eiwitbronnen van plantaardige oorsprong. Het voeder van de niet-herkauwers is in aanzienlijke mate concurrentieel met het menselijke voedsel: gemiddeld 3,4/4,58 = ca 74%. Herkauwers zijn minder efficiënte eiwitomvormers maar doen de menselijke voeding aanzienlijk minder concurrentie aan.

We zien dat de voederconversie van varkens van 5,92:1 in de loop van ruim 20 jaar is verbeterd naar 4:1; en bij kippen van 3,91:1 naar iets meer dan 2:1. Opmerkelijk is dat de efficiëntie bij zuivel niet ver van die van de kippen aflag, althans in 1984. Ook opmerkelijk is dat voor rundvlees het cijfer van 1984 nog altijd geldig is.

 

4.5 Additieven

Ter preventie van ziekten of om de groei te bevorderen worden soms additieven in het veevoeder gebruikt. De Europese wetgeving is hierin veel terughoudender dan de Amerikaanse.

4.5.1 Groeistimuli

Groeistimulatie is een kunstmatige ingreep in de veeteelt met biochemische middelen. Dit slaat op alle stoffen die gebruikt kunnen worden om het rendement van de eiwitconversie te verhogen. BST, die in transgene vorm in de EU verboden is, behoort daartoe.

"BST wordt routinematig in de Amerikaanse melkveehouderij gebruikt. BST toediening verhoogt de eiwitefficiëntie wel wat, denk ik. Het verhoogt de melkplas en de voederconversie, echter door het vergroten van de melkplas krijg je verdunning van de melk en dus lagere eiwit- en vetgehaltes.

Op het gebied van de vleesproductie is er minder eensgezindheid. BST zou de voederefficiëntie niet echt veranderen maar zou het karkas eiwitrijker en minder vet maken.

Om puur ethische maar ook veterinaire redenen vind ik het extra supplementeren van groeibevorderaars (ook al zijn dat voor de humane gezondheid compleet ongevaarlijke peptiden) niet wenselijk. Ze druisen in tegen elk principe van duurzaamheid." (informatie van Jo Leroy; de tekst in 4.5.2 is ook van zijn hand.)

4.5.2 Antibiotica

Bepaalde antibiotica kunnen de pensflora bij herkauwers zodanig bijsturen dat de voederconversie (en dus de eiwitconversie) gunstig wordt beïnvloed. Daarom heten we die middelen ook wel probiotica. De laatste jaren is de wetgeving hieromtrent enorm verstrengd waardoor probiotica bij herkauwers totaal verboden zijn. Ondermeer het induceren van antibioticaresistentie was een van de onderliggende redenen.

Ten slotte:

Een efficiënte eiwitconversie bij herkauwers (zeker bij melkkoeien) hangt vooral af van een goed uitgebalanceerd dieet. Zowel dierenartsen als voedingsdeskundigen adviseren veehouders om melkkoeien zo evenwichtig mogelijk te gaan voeren. Dat wil zeggen dat de koe voldoende energie moet krijgen in haar voer om de eiwitten die ze opeet in de pens goed te kunnen laten afbreken tot aminozuren en vluchtige stikstofverbindingen die door pensbacteriën dan weer worden omgezet tot bacterieel eiwit. Deze bacteriële eiwitsynthese vergt energie. Indien een koe te eiwitrijk wordt gevoerd (en in verhouding dus te energiearm) zal dit leiden tot een verhoogd ammoniak- en ureumverlies in de urine en de melk. De pensbacteriën krijgen immers relatief gezien te weinig energie aangereikt om het afgebroken eiwit in het voer om te zetten tot bacterieel eiwit dat op zijn beurt door de koe wordt verteerd. Op die manier komt de stikstofbenutting op de helling te staan.

 

<!--[if !supportFootnotes]-->

<!--[endif]-->

<!--[if !supportFootnotes]-->[1]<!--[endif]--> Zie het interview dat Luc Vankrunkelsven met Paulo Mayer had en dat onderdeel is van “Internationale Vrouwendag en soja” in het boek “Kruisende schepen in de nacht”, p 212-219; citaat p 217.

<!--[if !supportFootnotes]-->[3]<!--[endif]--> Dat geldt niet voor heel India. In sommige delen van het land startte in 1970 de operatie Flood onder de leuze "witte revolutie". De actie concentreerde zich op vier grote Indiase steden. De actie heeft ongetwijfeld invloed op de ontwikkeling van de statistische gegevens van de zuivelindustrie in India sinds 1970. Toch heeft de operatie het totaalbeeld op het onmetelijke Indiase platteland nog niet erg veranderd.

<!--[if !supportFootnotes]-->[4]<!--[endif]--> Nadat vooraf de maïskolven zijn geoogst.

<!--[if !supportFootnotes]-->[5]<!--[endif]--> Ook andere planten (rijst en graan bvb) kunnen N2 vastleggen via een symbiose met bacteriën! Deze bevinden zich niet in de wortels, maar aan de wortelhaartjes.

<!--[if !supportFootnotes]-->[6]<!--[endif]--> Onderzoek naar de wijze waarop de symbiose plaatsvindt met de Rhizobiumbacterie bij het wortelgestel van vlinderbloemigen heeft ertoe geleid dat de genen in de plant zijn geïdentificeerd die aanleiding geven tot de vorming van deze knoppen. In de zomer van 2006 werd door een Engelse wetenschapper een doorbraak aangekondigd. Hij sprak over het feit dat we de vorming van stikstofbolletjes aan het wortelgestel van een plant in gang kunnen zetten zonder de aanwezigheid van de speciale bacterie Rhizobium. Dit is een eerste stap in het overbrengen van dit proces naar niet-vlinderbloemigen. Er is echter nog veel werk te doen voor we echt instaat zijn om stikstofvorming aan het wortelgestel van de niet-vlinderbloemigen te realiseren.

Will biotech replace nitrogen fertilizer?
SOURCE: International Plant Nutrition Institute, USA
AUTHOR: Plant Nutrition Today, by Tom Bruulsema
URL:    http://www.ipni.net/ipniweb/pnt.nsf/
5a4b8be72a35cd46852568d9001a18da/c15813b3e9c41959852572890069dba7!OpenDocument
DATE:   01.04.2007
<!--[endif]-->

 
     
spacer

Edinburgstraat 26 - 1050 Elsene - tel 02 893 09 60 e-mail: info AT wervel PUNT be