|
In het Nederlandse Noord-Brabant verschiet de landbouw van kleur. Hans Horsten maakte er een boek over: “Het gedroomde Brabant, boeren in een stadspark”. Het NRC-Handelsblad, dé Nederlandse kwaliteitskrant, besteedde er in november 2007 uitgebreid aandacht aan. Zie bijgaand artikel.
Eind jaren tachtig waren er in Brabant nog 25.000 boeren, in 2020 zijn er 5.000 over. De boer in Nederland is op zijn retour. Nergens gaat het verval zo snel als in Brabant. Elke dag stoppen er twee à drie boerenbedrijven. Er is alleen nog plaats voor megafarms of recreatie- en zorgboerderijen. „Van eieren rapen knappen mensen zienderogen op.” Hij heeft eigenlijk altijd in de handpalm van God geleefd. Bescheiden, beschermd, een bestaan om met voldoening op terug te kijken. In die geruststellende wetenschap maakt Bert Leermakers (65) uit Wintelre zich op voor het laatste bedrijf. Hij is bezig zijn veestapel de deur uit te doen, vanaf het volgende voorjaar kijkt hij tegen lege stallen aan. De tanige melkveehouder uit het dorp onder de rook van Eindhoven heeft er vrede mee, hoewel hij wél vaker piekert dan vroeger. „Een jong pérd is vlug moe en vlug uitgerust. Een oud pérd is even snel moe maar het duurt veel langer voordat het beest hersteld is. Zo is het met mensen ook. De laatste vijf jaar merk ik dat het werk steeds zwaarder wordt. Ik melk tweemaal per dag, maar de tweede ronde ben ik eigenlijk te moe. Ze zeggen wel tegen mij: ‘Gij kunt nog hendig melken’. Maar het wordt toch teveel. Dat móeten, die dagelijkse druk, dat wil ik kwijt.” Zijn steun en toeverlaat, zijn vrouw Mien, vindt het pijnlijk om steeds vaker zijn broosheid te zien. „Het geeft me een melancholiek gevoel want we gaan een heel ander leven krijgen. Ik hoop alleen niet dat hij binnen gaat zitten. Dan zie ik het donker in.” Ze zegt het zonder een zweem van fatalisme, zittend in het vlekkerige zonlicht onder het bladerdek van de notenboom achter op het erf waar het gezin samenkomt als er wat te gedenken, te vieren of te betreuren valt. Hun oudste zoon Wilbert had het in zich om het bedrijf over te nemen, maar Bert Leermakers is nooit een groeifanaat geweest met als gevolg dat er nu té hoge investeringen nodig zijn om zijn melkveehouderij een levensvatbare toekomst te geven. Leermakers heeft als boer altijd de levenslessen van zijn vader ter harte genomen die de kas beheerde van de lokale Boerenleenbank en bij iedereen in Wintelre in het huishoudboekje kon kijken. „Waarom honderd koeien nemen als je het met vijftig ook kunt verdienen”, was het credo dat ook Bert Leermakers zich eigen maakte. Al werd er wel druk op het gezin uitgeoefend om de grote sprong voorwaarts te maken. Afgevaardigden van het landbouwministerie stonden regelmatig bij Leermakers aan de deur om hem een groter melkquotum aan te praten dan de 250 duizend liter die hij jaarlijks produceerde. „Bij elke visite zeiden de mensen van de Dienst Landbouwvoorlichting tegen mij: zet er nog maar vijftien koeien bij. Een decennium later was het precies andersom. Dan hoorde ik bij elk bezoek: haal er maar vijftien vanaf. ” Een dikke honderd kilometer verderop, in de winderige Eendrachtspolder bij Nieuw-Vossemeer in West-Brabant waar het laaghangende grijs een kille sfeer oproept, staat akkerbouwer Jacques Veraart over de vrieskist in de bijkeuken gebogen. Hij diept er enkele voedselpakketjes voor de avondmaaltijd uit. De pot schaft fazantsoep, zelf geschoten haas met zelf geteelde rode bietjes en pudding met iets wat het midden houdt tussen frambozen- en aardbeiensaus van eigen makelij. Als man alleen is Veraart een kritisch eter. „Ik heb geen zin om elke dag naar de snackbar te lopen.” Veraart zit in hetzelfde schuitje als Leermakers. Wel nakomelingen, geen opvolger. Tien jaar terug stopte hij met investeren toen het duidelijk werd dat de tweehonderd jaar oude familiegeschiedenis bij hem zou eindigen. Sindsdien boert hij in een lage versnelling op zijn verspreid liggende percelen grond: samen 25 hectare klei waarop hij aardappelen, graszaad en witlof heeft geteeld. „Als je niets hoeft te financieren en geen afschrijvingen meer hebt, is alles wat je binnen krijgt inkomen. In principe kan ik met bijna niets doen de kost verdienen.” Hij mag dan in zijn nadagen verkeren, ieder etmaal is Jacques Veraart nog op het land te vinden. Hij wil sterven in het harnas. „Dit is mijn geboortegrond. Hier hoor ik thuis. Ik hou van de polders, die wijde uitzichten. Hoe verder je kunt kijken, hoe mooier ik het vind. Ik ben altijd een fanatieke boer geweest, heb er nooit bij stilgestaan dat er ook iets anders in het leven zou kunnen zijn. Als er niets te werken is, rijd ik gewoon met de tractor een stuk het land op om van de zon te genieten.” Zijn boerderij aan de Pelsendijk maakt deel uit van het nietige buurtschap Notendaal. Ook in deze enclave lijkt de boer voorgoed op zijn retour. Veraart heeft eens lopen turven. Ooit wist hij zich omringd door vijftig collega’s. Daarvan zijn er nu nog hooguit 25 over. En de nukken van de markt die in de plaats kwamen van het traditionele systeem van de geleide Europese landbouw met voldoende inkomen voor iedereen, zullen de komende decennia nog meer slachtoffers vergen, vreest Veraart. „De bescherming die Brussel altijd bood, is weggevallen. Alleen als je vader je een boerderij achterlaat die helemaal bij de tijd is heb je nog een kans. Je ergens inkopen is bijna onbetaalbaar geworden. Een hectare akkerbouwgrond doet hier al gauw veertigduizend euro. Voor een gezonde onderneming heb je zeker vijftig hectare nodig. Reken maar eens uit wat dat kost.” Steeds vaker ziet hij burgers uit Roosendaal of Rotterdam bezit nemen van de imposante boerenhoeves en rustieke dijkhuisjes. Hij merkt dat ze zich vaak verkijken op de weerbarstigheid van een bestaan in dit rijk van de stilte. „Als je hier komt wonen, moet je tegen eenzaamheid en verlatenheid kunnen en je bezig kunnen houden. Er zijn dagen dat je geen mens ziet of hoort. Die stedelingen strijken in de polder neer om de drukte te ontvluchten. Maar na een jaar of twee hebben de meeste nieuwkomers het hier gezien. In dit godvergeten gat is niet te leven, hoor je ze dan klagen. Want de winters zijn lang, er zijn hier geen voorzieningen en er is niet veel te beleven.” Leermakers en Veraart hoeven zich niet alleen te voelen, want in hoog tempo verdwijnt de boer uit de coulissen van het Brabantse landschap. Elke dag gooien twee á drie agrariërs de handdoek in de ring in het gebied tussen Schelde en Maas. Geen opvolgers, een wankel economisch perspectief, de druk van de oprukkende stad, milieueisen, de wurggreep van de regelgeving; de oorzaken zijn velerlei. Eind jaren tachtig waren er bij de almachtige NCB (Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond, nu ZLTO) een kleine 25.000 boerenbedrijven aangesloten. In 1997, aan de vooravond van de varkenspest, waren dat er nog zestienduizend. Anno 2007 stopt de teller al bij elfduizend. Na de provinciale Reconstructie van het platteland die vanaf nu tot 2020 zijn beslag krijgt, is er in Brabant nog plaats voor vijfduizend boeren. Zo voltrekt zich een stille revolutie op het Brabantse platteland dat door de stedelingen steeds meer wordt beschouwd als een privé uitloopweide die volgens hun strikte voor- en afkeuren moet worden ingedeeld. Het gedroomde Brabant verschijnt moeiteloos op hun netvlies. Koeien die ronddartelen tussen het gras. Varkens die vrolijk knorren in de modder. Rietpluimen die wiegen in de wind langs een meanderende beek. Een houtwalletje als erfafscheiding. Zo ziet de postmoderne wereldburger met zijn hang naar Arcadische horizonten het graag. Als er tenminste ook ruimte overblijft om de bolide te parkeren. Dat signaleerde het Ruimtelijk Planbureau vorige week in De Staat van de Ruimte: Nederland zien veranderen, het tweejaarlijks rapport waarin de ruimtelijke ordening wordt beoordeeld. Hier etaleert zich de frictie tussen werkelijkheid en beeld. Het platteland is allang niet meer het openluchtmuseum dat het volgens de stedelingen geacht wordt te zijn. De meeste boeren voelen er weinig voor in de toekomst als veredelde landschapssuppoost door het leven te gaan. Het verscheiden van de Brabantse boerenstand zal niet alleen visueel en fysiek van grote invloed op het landelijk gebied zijn. Het betekent ook het afscheid van een sociaal-maatschappelijk model dat het platteland bezuiden de Moerdijk een dikke eeuw stevig in de greep hield. Steeds meer blijkt de drie-eenheid CDA, katholieke kerk en standsorganisatie ZLTO een conventie van het verleden te zijn. „Die grote gelukkige NCB-familie van weleer bestaat niet meer in Brabant”, zegt Jan Robben (46), een aardbeienkweker uit Oirschot. Onze organisaties zijn hun macht kwijt geraakt. Electoraal verliezen we ook steeds meer aan belang. Ik ken steeds meer boeren die net als ik op de VVD stemmen.” Robben is er niet rouwig om dat de oude bolwerken op de terugtocht zijn. „De agrarische sector is conservatief; de meeste boeren vertrouwen erop dat het ministerie en de landbouworganisaties het voor hen regelen. Ze houden vast aan oude idealen en inzichten. Als we maar hard werken komt het wel goed, is de standaardhouding. Maar het komt niet goed als we zo blijven denken. De meeste van mijn vakbroeders zijn gewoon niet innovatief genoeg, kunnen niet omgaan met de eisen die samenleving en politiek stellen.” Robben vreest dat alleen ‘shocktherapie’ nog kan helpen om de landbouw in Nederland in het algemeen en in Brabant in het bijzonder uit het defensief te halen. „Bij mij in de straat zie ik meer burgers dan boeren. Daarom vind ik ook dat een minister van landbouw teveel naar het belang van de agrariërs en te weinig naar het belang van het platteland kijkt. Hef wat mij betreft daarom dat departement maar op. Natuurlijk zal er gepiept worden, want je breekt een bastion af. Maar het is ook een stimulans om meer ondernemerschap in de landbouw te krijgen.” Nog niet zo heel lang geleden waren de meeste wethouders in de dorpen op het platteland in Brabant van agrarische herkomst. Veelal eigenden ze zich de portefeuille Ruimtelijke Ordening toe, wat hen in staat stelde de belangen van hun achterban optimaal te behartigen. Maar ook aan dit front eist de groene exodus zijn tol. Veraart: „Vroeger was tachtig procent van de raadszetels in Nieuw Vossemeer in handen van boeren. In de besturen van de waterschappen scoorden we honderd procent. De bankbesturen en verenigingen? Allemaal agrariërs. Wat wíj wilden gebeurde hier. Dat is nu voorgoed voorbij. Democratie is: meeste stemmen gelden. Vandaag de dag behoren die stemmen toe aan de burgers.” Ook Jeannette van Dongen (52) die samen met haar man en dochter even buiten de groeikern Etten-Leur in vijf hectare kassen een wassende stroom rode paprika’s teelt, heeft ervaren dat het platteland steeds sneller van karakter verandert nu het primaat niet langer meer bij de boeren ligt. „Vroeger lag de nadruk in het buitengebied op het product en nu op het landschap. Er komen hier steeds meer mensen wonen zonder agrarische achtergrond. Met name in de kleine gemeenten in de omgeving hebben we het lange tijd voor het zeggen gehad. Nu zit er in Etten-Leur nog niet één agrariër meer in de raad. De doorsnee Brabantse boer gaat zware jaren tegemoet. De kwetsbare natuurgebieden zijn inmiddels voorgoed verboden terrein voor de Brabantse landbouw. Elders in de provincie blijven er slechts twee overlevingsstrategieën over: of nog verdere grootschaligheid zodat de concurrentie op de wereldmarkt het hoofd kan worden geboden. Of er een inkomen bij verdienen door je te bekeren tot de ‘verbrede landbouw’. Voor de megabedrijven richt de provincie Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s) die honderden, soms duizenden hectaren groot zijn en waar plaats is voor onafzienbare rijen varkensstallen. De tweede optie moet de traditionele gezinsbedrijven soelaas bieden; de ‘kleine luyden’ van boerenpastor Gerlachus van den Elsen die honderd vijftig jaar lang het gezicht van het Brabantse platteland bepaalden. Steeds meer agrariërs combineren hun oude stiel met recreatie, educatie, zorg, de stalling van caravans, kinderopvang en de verkoop van streekproducten. Om het hoofd boven water te kunnen houden, maar soms ook uit principe omdat zo’n minder intensieve productiewijze beter harmonieert met het landschap. Johan (46) en Gerry Martens (45) kozen een aantal jaren terug ook voor een agrarische mengvorm. Hun Hemelrijksche Hoeve in Biezenmortel met fraai uitzicht op de uitlopers van de Loonse en Drunense Duinen veranderde in een tijdsbestek van een decennium van een conventionele melkveehouderij in een biologisch bedrijf dat van vele markten thuis is. Johan Martens houdt zijn koeien in een milieu- en diervriendelijke potstal en doet aan agrarisch natuurbeheer. Zijn vrouw Gerry (afkomstig uit de verpleging) runt een zorgboerderij voor licht dementerende ouderen waarvoor de oude varkensstal achter op het erf op de schop werd genomen. Vijftien á twintig senioren worden dagelijks met busjes gebracht en gehaald en vullen hun tijd met klusjes op en rond de boerderij. Met name de zorgtak blijkt een gat in de markt. Gerry Martens moet steeds vaker ‘nee’ verkopen als zich een kandidaat meldt. Ze kijkt niet op van het succes. „Wij houden onze mensen zoveel mogelijk aan de gang. Ze kunnen eieren rapen, de stal of de kippenkooi vegen, zaagsel in de hokken doen en meehelpen in de moestuin. Daar knappen ze zienderogen van op. En er zit een psychologisch effect aan. Ik hoor onze cliënten vaak zeggen: we gaan niet naar de dagopvang, we gaan naar de boerderij.” Haar echtgenoot is een romanticus. Hij zoekt naar een eigentijdse invulling van het klassieke rentmeesterschap. Toen hij de boerderij van zijn vader overnam, sprak het idee van tomeloze expansie hem aan. Maar in de loop van de tijd kwam hij daar steeds meer van terug. „In 1900 had het bedrijf als het onze ook een sociale functie. De mensen woonden, leefden, werkten en stierven hier. In feite was er sprake van een soort sociale kringloop. In de loop van de tijd is dat allemaal verdwenen. Maar voor mij is het nog steeds een ideologische voedingsbron. Ik wil kijken of we dat boerenbedrijf uit 1900 terug kunnen krijgen. Niet om nostalgie of weemoed om vervlogen tijden, maar om de sociale, economisch, culturele en ecologische gemeenschap die het vertegenwoordigde.” Ook op ander terrein wijzigde hij zijn levensstijl ingrijpend. In de jaren negentig zat hij twee bestuursperiodes voor het CDA in provinciale staten van Noord-Brabant. Martens werd gezien als een politieke groeibriljant, maakte deel uit van de vertrouwde agrarische kongsi’s en werd getipt als gedeputeerde. Teleurgesteld wendde hij zich echter af van zijn partij om vorig jaar opnieuw als statenlid beëdigd te worden. Dit keer voor Groen- Links. „Ik ben niet bij het CDA weggegaan uit frustratie. Ik merkte dat ik steeds meer waarde aan natuur en milieu ging toekennen en verder opschoof naar links.” Hij twijfelde lang over een rentree op het pluche. „Ik heb steeds minder vertrouwen in de overheid gekregen. De Reconstructie van het buitengebied is teveel van bovenaf opgelegd, een plan dat uitgaat van een ‘maakbaar platteland’. Dat zal niet lukken, vrees ik. De ontwikkelingen op de wereldmarkt zullen van grotere invloed zijn op de toekomst van de Brabantse landbouw dan de Reconstructie.” Het boek ‘Het gedroomde Brabant, boeren in een stadspark’ van journalist Hans Horsten en fotograaf Joep Lennarts verscheen bij uitgeverij Heijnen in Den Bosch. |