|
Een in opdracht van Greenpeace Nederland door de Universiteit van Wageningen geschreven rapport. De auteurs zijn: H.C. de Boer, R.L.G. Zom en G.A.L. Meijer. Het Nederlandse bureau van Greenpeace liet zich inspireren door de studie die Greenpeace België in 2005 lanceerde: “Zuivere melk, Melkproductie zonder GGO's duurzaam en goedkoop”. Hoewel het rapport in september 2006 klaar was, heeft Greenpeace NL gewacht tot november 2007 om het te lanceren.
Hieronder volgt de samenvatting van het rapport: De Nederlandse melkveehouderij gebruikt jaarlijks ruim 300.000 ton ‘restproducten’ van sojabonen (sojaschroot en sojahullen) als rundveekrachtvoer. Dit is 16% van het totale sojaverbruik in de Nederlandse veehouderij; de overige 84% wordt voornamelijk gebruikt in de varkenshouderij. Een deel van de sojaproducten is afkomstig uit Zuid-Amerika, waar de teelt van soja sterk in opkomst is. Greenpeace Nederland, de opdrachtgever van deze studie, beschouwt de grootschalige teelt van soja in Zuid-Amerika en het gebruik in Nederland als niet-duurzaam. Greenpeace ziet grote negatieve consequenties voor de lokale en mondiale omgeving, zoals grootschalige kap van oerbos, verarming van de biodiversiteit, verontreiniging van het milieu en ernstige verstoring van de sociale verhoudingen ter plaatse. De opmars van genetisch gemodificeerde (GG) soja zou deze problemen verder versterken. Daarom onderzoekt Greenpeace Nederland momenteel of het mogelijk is het gebruik van sojaproducten in Nederland te beperken en zo de stimulans van de teelt in Zuid-Amerika te verkleinen. In dit kader heeft Greenpeace Nederland de ASG – de Animal Sciences Group van de Universiteit Wageningen - gevraagd te onderzoeken of sojaproducten in Nederlandse melkveerantsoenen volledig vervangen kunnen worden door lokaal geteelde, eiwitrijke gewassen. Naast de vraag of dit technisch mogelijk is, werd ook de vraag gesteld welke effecten vervanging zou hebben op een aantal aspecten van de keten, waaronder het milieu, de kostprijs van de melk, de melkproductie en -kwaliteit en diergezondheid en -welzijn. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een deskstudie. Tijdens de studie zijn ook enkele andere mogelijke oplossingen naar voren gekomen en kort uitgewerkt. Uit de studie bleek dat de voornaamste rol van sojaproducten in het rantsoen van Nederlands melkvee het aanvullen van het gehalte darmverteerbaar eiwit (DVE) is. Sojaschroot is hierbij zeer aantrekkelijk vanwege een zeer hoog gehalte aan DVE (235 g kg-1 ds) en een relatief lage prijs. Vervangende gewassen zouden in ieder geval ook een zo hoog mogelijk DVE-gehalte moeten hebben. Uit een inventarisatie bleek dat alleen lupinezaden (133 g kg-1 ds), veldbonen (105) en erwten (96) vanuit dat oogpunt interessante (krachtvoer)gewassen zijn. Ruwvoeders komen niet in aanmerking omdat hun DVE-gehalte en DVE-opbrengst altijd lager zijn dan dat van gras. Complicaties bij de vervanging van sojaproducten door de drie alternatieven zijn hun relatief lage DVE-gehalte en de eis dat, vanwege het gehalte aan anti-nutritionele factoren, hun aandeel in krachtvoer gecombineerd niet meer dan 25% mag zijn. Geconstateerd werd dat het lage DVE-gehalte eenvoudig is te verhogen (tot 90%) door kortstondige verhitting (toasten). Ook na toasten blijft de maximering van 25% echter een belemmering voor 1:1 vervanging van sojaproducten. Alleen in krachtvoer met max. 23% onbewerkt of max. 14% bestendig sojaschroot kan alle schroot vervangen worden door een combinatie van 15%+10% getoaste lupinezaden+veldbonen. Alternatief krachtvoer met de max. hoeveelheid lupinezaden+veldbonen bleek eenvoudig samen te stellen; de kostprijs steeg met 1, 3 en 20% bij krachtvoer met 90, 120 en 180 DVE ten opzichte van regulier krachtvoer. Bij drie verschillende bedrijfstypen (1) gemiddeld NL melkveebedrijf, zelfvoorzienend; 2) als 1 maar intensiever en niet meer zelfvoorzienend; 3) als 2 maar zonder weidegang) had dit een stijging van de kostprijs per 100 kg melk van €0,07, €0,08 en €0,11 tot gevolg. Hierbij werden lupinezaden+veldbonen tegen marktprijzen opgenomen. Omdat krachtvoer en rantsoenen geoptimaliseerd worden, heeft vervanging van soja door alternatieven geen effecten op aspecten als het milieu, melkproductie en -kwaliteit en diergezondheid en -welzijn. Op basis van teeltaspecten, DVE-opbrengst en DVE-gehalte bleken lupinen het meest aantrekkelijke gewas, gevolgd door veldbonen en daarna erwten. Knelpunten bij teelt van de alternatieve krachtvoeders op een Nederlands melkveebedrijf zijn: 1) gebrek aan teeltkennis; 2) gebrek aan juiste apparatuur, aanschaf is (te) kostbaar; 3) verwerking van het geoogste product (toasten, inkuilen, bewaren) kan problematisch zijn; 4) areaalbehoefte (1,4-3,3 ha) is te klein om efficiënt in te vullen; 5) zelf verbouwd krachtvoer is veel duurder dan op de markt; 6) veel melkveehouders hebben andere prioriteiten dan de teelt van eigen krachtvoer. Het totaal benodigde nationale areaal alternatieve krachtvoergewassen bij max. vervanging (75% van alle sojaproducten in krachtvoer) werd geschat op 57.000 ha, 50% van het areaal dat potentieel beschikbaar zou kunnen zijn binnen het akkerbouwareaal. Alternatieven om minder gangbaar sojaschroot te gebruiken zijn: 1) het DVE in alle gangbare schroot bestendiger maken; 2) alle sojaproducten vervangen door alternatieve DVE-rijke grondstoffen; 3) gangbaar schroot vervangen door GG-vrij schroot geproduceerd in overeenstemming met de ‘Basel Criteria’. Oplossing 1 bespaart tot 30% op het nationale gebruik van schroot en geeft voor de drie bedrijfstypen meeropbrengsten van €0,04, €0,05 en €0,05 per 100 kg melk. Oplossing 2 geeft voor de drie bedrijfstypen meerkosten van €0,12, €0,15 en €0,15 per 100 kg melk. Oplossing 3 geeft voor de drie bedrijfstypen meerkosten van €0,03, €0,05 en €0,04 per 100 kg melk. Strategieën om krachtvoergebruik (en dus ook gebruik van soja) in algemene zin terug te dringen zijn: 1) beperken van DVE-verliezen tijdens voederwinning van gras; 2) voeren van meer vers gras door meer weiden of zomerstalvoedering; 3) optimaliseren van de krachtvoergift per dier door toepassing van een dynamisch voermodel. Gebruik van alternatief krachtvoer met max. getoaste lupinezaden+veldbonen, geteeld op een Nederlands akkerbouwbedrijf, zou voor de drie bedrijfstypen leiden tot meerkosten van €0,54, €0,90 en €0,48 per 100 kg melk. Uitsluiting van krachtvoer met meer dan 120 DVE kan in bepaalde situaties de meerkosten bij vervanging van sojaproducten verlagen. Vervanging van sojaproducten door alternatieve DVE-rijke grondstoffen is geen structurele oplossing; het aanbod is beperkt en producten kunnen ook GG-materiaal bevatten of een ongewenste oorsprong hebben. Vervanging van gangbaar sojaschroot door onder de ‘Basel Criteria’ geproduceerd sojaschroot kan tegen relatief geringe kosten een structurele oplossing bieden voor de Nederlandse melkveehouderij. U vindt het rapport door hier te klikken. |