Internationale voedselhandel kan voor boeren bedreigend zijn
ook als er geen sprake is van subsidies.
We gaan uit van rijstbouw in twee (ontwikkelings)landen, die
duizenden kilometers van elkaar verwijderd zijn en die ieder voor zich in de
eigen rijstbehoefte kunnen voorzien en dus geen nood hebben aan importrijst.
Land A is door klimaat, bodemgesteldheid, loonniveau enz. in staat om rijst te
verbouwen, te transporteren en aan te bieden in land B aan een prijs die 20%
lager ligt dan de lonende prijs voor de boeren in land B. Land A heeft een overproductie
aan rijst en voert daadwerkelijk rijst uit naar land B.
Voor de boeren in land B is dit bedreigend omdat de
rijstprijs als gevolg van de import daalt tot onder een rendabel niveau. De
keuze is stoppen met rijstverbouwen voor de markt en zo mogelijk overschakelen
op andere, wel rendabele teelten. Lukt dat niet, dan is dat het einde van een
boerenbedrijf. Dit proces gaat stapsgewijs, maar is niet tegen te houden,
tenzij . . . .
De overheid van land B de boeren zou ondersteunen met een
importstop, bv. door het heffen van een invoerbelasting zodat het prijsverschil
tussen importrijst en eigen rijst wordt opgeheven. Dat zou passen in een beleid
om de teelt van basisvoedsel in eigen land te behouden – een praktisch
voorbeeld van voedselsoevereiniteit.
Tot nu toe is er in dit voorbeeld geen sprake van enigerlei
vorm van subsidie.
Laten we nu aannemen dat de boeren van land A niet in staat zijn
om goedkopere rijst aan te bieden in land B. Dan vindt er geen export plaats
naar land B tenzij land A een exportroeping voor ogen heeft en zijn boeren daartoe
subsidieert. Dat kan op directe maar ook op indirecte wijze. Een indirecte
wijze is bv. verbetering van de infrastructuur, van landbouwonderwijs en
–voorlichting, kredietverlening, goedkope havenfaciliteiten enz.
Langs deze weg ontstaat een situatie die effectief niet
verschilt van die in het eerste voorbeeld.
Het begrip subsidie is een rekbaar begrip. Men zal toch land
A niet het recht kunnen ontzeggen om genoemde maatregelen te nemen.
Maar evenmin kan men land B verwijten maken over het feit
dat het in geval van basisvoedsel zijn grenzen sluit voor zover de eigen boeren
uitstekend in staat zijn dit voort te brengen.
Het is duidelijk dat in bovenstaande gevallen abstractie
gemaakt wordt van de regels van de WTO. Het is immers zeer de vraag of het
juist is deze regels ook op basisvoedsel toe te passen.
Dan kom ik met het vergrootglas iets dichter bij de teksten
op blz 22-23.
De titel is misleidend. Kleine boeren zijn wel degelijk
gebaat bij landbouwsubsidies, zeker als deze tot uiting komen in zaken als
verbetering van de infrastructuur, van landbouwonderwijs en –voorlichting,
kredietverlening, landtoewijzing enz. Maar in de eerste plaats zijn zij gebaat
bij lonende prijzen voor hun producten. Bij het ontbreken daarvan zijn ook
directe subsidies noodzakelijk voor het voortbestaan van de eigen boeren.
De landbouw van ontwikkelingslanden in de eerste plaats
bekijken als exportlandbouw verraadt een westerse blik. Voorop staat de
zelfvoorziening in basisvoeding en een daaraan dienstbare, goed functionerende
interne markt. Al de rest is surplus en komt op de tweede plaats.
Dat het wegvallen van subsidies van de landbouwsector in de
EU en de VS niet zozeer de kleine boer als wel de nieuwe voedselmultinationals
zou bevoordelen, zal wel een schrijffout zijn. Het wegvallen van de
landbouwsubsidies is in het nadeel van de boeren, zeker bij het huidige niveau
van voedselprijzen. Maar in de voedselketen zijn het vooral de verwerkende
bedrijven en de handel die het meeste vangen uit de EU-ruif en zij zouden dus
het meest getroffen zijn bij het wegvallen van de landbouwsubsidies. Effectief
kopen zij grondstoffen aan aan een als gevolg van subsidies kunstmatig lage
prijs; bovendien vangen ook heel wat bedrijven rechtstreeks uit de
landbouwsubsidiekorf.
Interessant is het standpunt van de Indonesiër Pulanga.
Hij ervaart de gesubsidieerde EU-landbouw niet als een
concurrent. Hij stelt zelfs dat het een voordeel is voor de Indonesische
verbruiker dat er goedkope import plaatsvindt uit de EU van suiker, zuivel en
vlees, producten die Indonesië op dit moment in onvoldoende mate produceert.
"Dat is goed nieuws voor arme mensen en dus ook voor kleinschalige
landbouwers."
De visie van de Braziliaan Cozendey gaat mank aan het feit dat
hij voedselhandel in de eerste plaats beschouwt door een mondiale bril. Voedselhandel
en vooral de handel in basisvoedsel is voor ca 90% een lokale en regionale
handel. Voor de handel in basisvoedsel moet gelden dat ieder land of
douane-unie het recht heeft om de eigen producenten te beschermen door bv.
importbelasting te heffen of quoteringen (hoeveelheidbeperkingen) vast te
stellen.
Om te voorkomen dat overschotten vanuit een gesubsidieerde
landbouw verstorend werken op de wereldmarkt, zou de subsidiërende overheid
exportbelasting kunnen heffen zodanig dat het effect van de subsidiëring wordt
geneutraliseerd buiten de eigen zone. Dat is dus het tegendeel van een
exportsubsidie.
Overigens zijn de Europese agrarische exportsubsidies in de
afgelopen jaren reeds drastisch gedaald en is het einde van de exportsubsidie
van de EU op agrarische producten in zicht. In 2013 zal dat vermoedelijk een
feit zijn.
Wat tenslotte een ernstige tekortkoming is in de
voorstelling van zaken in MO*, is het zo goed als onvermeld blijven van ecologische
factoren : de ecologische kost van transport bv.
Gert Coppens, vrijwilliger van Wervel, 061030