"Het
creëren van een duurzame samenleving is van levensbelang voor de huidige en
toekomstige generaties. Toch krijgt duurzaamheid van de politiek nog steeds
niet de aandacht die zij verdient. We zijn er tot nu toe dan ook niet in
geslaagd de hardnekkige problemen in sectoren als de landbouw, de
gezondheidszorg en de energievoorziening het hoofd te bieden. Meer en meer
wordt duidelijk dat een duurzame samenleving een echte cultuuromslag vergt. Via
transities - maatschappelijke overgangen die tijd, durf en energie vergen -
zullen verouderde maatschappelijke systemen (deels) moeten worden afgebroken om
vervolgens opnieuw te worden opgebouwd.
Een
transitie is een structurele maatschappelijke verandering die het resultaat is
van op elkaar inwerkende ontwikkelingen op het gebied van economie, cultuur,
technologie, instituties en milieu. Transities zijn traagwerkende veranderingen
die zowel harde vernieuwingen (bv. technologie) als zachte vernieuwingen (bv.
beleid) vergen. Een transitie bestaat uit één of meerdere systeeminnovaties die
op hun beurt voortkomen uit product-, proces- of organisatorische innovaties.
Een systeeminnovatie betekent een verandering in de manier van werken, het zijn
integrale structurele vernieuwingen.
Voor
transities bestaan geen blauwdrukken, ze zijn eerder mogelijke
ontwikkelingspaden waarvan de richting en het tempo kunnen worden beïnvloed.
Toch kan een transitie gestuurd en gemanaged worden. Dit betekent in concreto
het scheppen van voorwaarden waaronder maatschappelijke vernieuwing kan
plaatsvinden, via de juiste initiatieven op het juiste moment.
Transitiemanagement kan niet volgens een vastomlijnd plan (dat is in strijd met
de co-evolutionaire grondslag van transities), maar toch kunnen er een viertal
activiteiten worden afgelijnd:
Het
inrichten en ontwikkelen van een transitie-arena, een netwerk van innoverende
actoren die in deze arena kunnen experimenteren. Het is belangrijk dat alle
relevante actoren hierin vertegenwoordigd zijn.
Het
ontwikkelen van lange-termijn visies voor een gemeenschappelijk transitiedoel
in de vorm van een set van transitie-eindbeelden (of scenario’s),
Het
sturen op leerprocessen en kennisontwikkeling via experimenten om zo vorm te
geven aan de verschillende transitiepaden,
Het
monitoren en evalueren van het transitieproces."
Het
wordt snel duidelijk dat de factoren die bij transities een rol spelen niet
alleen technisch van aard zijn. De organisatie en de structuur van de
samenleving is ermee gemoeid en de heersende cultuur is medebepalend.
Transities
zijn ingrijpend en zijn pas mogelijk als de samenleving op een breekpunt is
aangekomen. In het transitieproces heb je te maken enerzijds met het
"regime" dat dominante structuren en de heersende cultuur wil
handhaven en anderzijds de "niche", waarin zich de mensen bevinden
die een fundamenteel andere koers willen. Het regime is verbonden aan de de macht
en ziet slechts heil in meer van hetzelfde, ofwel koershouden. Per definitie
zijn transities regime- en machtswisselingen.
Om
tot transitie te komen moeten niche-mensen en veranderingsgezinde regime-mensen
elkaar vinden. Deze samenspraak moet leiden tot een cascade van innovaties :
eerste moeten de heersende gedachten om, daarop volgt een systeeminnovatie. Pas
dan kan een procesinnovatie volgen en tenslotte moet dit leiden tot
productinnovaties. Voor productinnovaties moet dus eerst de weg bereid worden. Er
is voor zo'n proces veel geduld nodig en gelijktijdig een bottom-up en een
top-down benadering. Op die wijze is zo'n proces ten dele stuurbaar. Er is ook
maatschappelijke beweging nodig om druk uit te oefenen.
Voor
innovaties bestaan vaak nog geen markten; dus die moeten stap voor stap
gecreëerd worden.
Transitiemanagement
is een zoek- en leerproces en moeilijk verzoenbaar met deadlines en pas in de
laatste plaats productgeoriënteerd. Te vroeg keuzes maken is riskant, op één
paard wedden evenzeer.
De
spreker heeft slechte ervaringen met klankbord- en stuurgroepen; rapporteren is
mooi, maar vooral niet teveel op papier zetten, want het wordt toch niet
gelezen.
Zijn
verhaal is nogal bepaald door een zienswijze vanuit de Nederlandse situatie,
die gemakshalve getransponeerd wordt naar België : "het zal in België niet
veel anders zijn". Wat energievoorziening en landbouw betreft, zijn de
verschillen tussen Nederland en België echter aanzienlijk. België draait voor
een veel groter percentage op kernenergie dan Nederland. De Nederlandse
agrarische sector is sterk export gericht, derde op wereldniveau; België is dat
in veel mindere mate.
Waar
de spreker aan de landbouw raakt – we zijn hier immers in een door de landbouw
gekleurd gezelschap – verliest zijn verhaal aan consistentie. Een op
Nederlandse omstandigheden gebaseerd advies om op aanzienlijke schaal over te
gaan op energiegewassen, dus een stuk landbouwareaal voor voedsel- of
voederteelt prijs te geven voor de teelt van energiegewassen, laat zich
moeilijk rijmen met het feit dat Nederland kampioen is op het vlak van
grondloze veeteelt en meer dan een vijfvoud van zijn eigen landbouwareaal op
andere continenten nodig heeft om te voorzien in eiwitrijke diervoeders. Van de
ca 40 miljoen ton sojabonen en derivaten daarvan, die het afgelopen jaar de EU
binnenkwam, was Nederland een bovenevenredige afnemer.
Neen,
er zijn andere prioriteiten. Kunnen wij niet zoals vroeger de voor de dierlijke
productie nodige eiwitten zelf verbouwen ? Of althans daarmee een begin maken
om zo de import van overzeese plantaardige eiwitten terug te dringen ?
Zijn
wij als samenleving bereid om de menselijke overconsumptie aan dierlijke
eiwitten ter discussie te stellen ? En terug te brengen tot een gezond
gemiddelde dat op minder dan de helft van het huidige niveau ligt ?
Opmerkelijk
is dat de spreker geen poging heeft gedaan om duurzaamheid te definiëren. Dit
lijkt toch noodzakelijk. Immers de beoogde transities en het daarmee gepaard gaande
transitiemanagement willen de samenleving duurzamer maken. Maar de ervaring leert
dat duurzaamheid als begrip een wijde zak is, waarin ieder wel iets van zijn
gading vindt of steekt om zich met het duurzaamheidsaureool te tooien. De keuze
: overschakeling op meer energiegewassen dan wel op meer eiwitproducerende
gewassen, is daarvan een voorbeeld. Als kringlopen sluiten prioritair is (en
ook Jan Rotmans vindt dat), dan moet de keuze vallen op eigen eiwitrijke
voedergewassen. Duurzaamheid is een relatief begrip; het meer duurzame zal
moeten prevaleren.
Positief
is het aan de orde stellen van de noodzaak van transities op veel vlakken van
onze gecompliceerde samenleving en daarvoor een denkkader aan te bieden. Jan
Rotmans gaf veel stof tot nadenken. Wervel kan zich herkennen in de niche-functie.
Het is voor Wervel vooral zaak om veranderingsgezinde regime-mensen te vinden
en te overtuigen. En daarnaast om consumenten van allerlei slag aan te spreken
en tot veranderend gedrag te brengen.
Gert
Coppens, 26 oktober 2006