|
|
|
|
Gebruik van plantaardige eiwitbronnen en eigen voederwinning |
Vereniging van Zelfmengers vzw: ALT-Demonstratieproject: 'Gebruik van plantaardige eiwitbronnen en eigen voederwinning'
1. Inleiding.
In Vlaanderen worden jaarlijks grote hoeveelheden voedermiddelen
geïmporteerd voor gebruik in de veevoedersector, in totaal ongeveer 2,2
miljoen ton/jaar. Anderzijds is er in Vlaanderen een mineralenoverschot
van 36 miljoen kg fosfaat en 66 miljoen kg stikstof. Een groot deel van
dit mineralenoverschot moet dan opnieuw geëxporteerd worden; er is
immers onvoldoende grond aanwezig in Vlaanderen om deze mineralen op
een oordeelkundige manier op te brengen. Door het zelf telen van zijn
voedermiddelen kan men de import van mineralen beperken en een gesloten
mineralenkringloop vormen op zijn bedrijf. Door het telen van eigen
eiwitbronnen kan vooral de stikstofimport beperkt worden. Het halen van
de Europese nitraatrichtlijn is een absolute prioriteit voor
Vlaanderen. Het beperken van de import aan stikstof (via eiwit) kan
daartoe een reële bijdrage leveren. Momenteel werken al heel wat
bedrijven in een dergelijk duurzaam karakter van een gesloten kringloop
door zichzelf te voorzien van de nodige granen voor hun dieren. Dit zou
nu verder geoptimaliseerd kunnen worden door het gebruik van eigen
geteelde plantaardige eiwitbronnen.
In het kader van de GGO-problematiek zorgt de import van eiwitbronnen,
vooral onder de vorm van soja, voor een oncontroleerbare stroom. Het is
immers heel moeilijk te retraceren van waar de soja afkomstig is en
garanties te krijgen naar al of niet GGO-vrij zijn van de soja. Door
het zelf telen van vervangende plantaardige eiwitbronnen, kan men deze
stroom vanaf de basis volledig retraceren en indien nodig een volledig
gescheiden stroom in de voedselketen creëren.
2. Literatuurstudie.
2.1 Welke gewassen zouden in aanmerking kunnen komen?
Om de dierlijke eiwitten, die in de veevoeders worden gebruikt, te
kunnen vervangen door plantaardige eiwitten komen verschillende
gewassen in aanmerking. Sommige van deze gewassen zullen in hoofdzaak
op het eigen bedrijf geteeld kunnen worden en er ook, hetzij direct als
vers voeder of indirect na bewerking en bewaring onder de vorm van hooi
of kuilvoeder, gevoederd kunnen worden aan het vee, terwijl anderen in
Vlaanderen kunnen geteeld worden als krachtvoedercomponent of
–vervanger.
Ruwvoedergewassen voornamelijk voor rundvee.
Als eiwitproducerende ruwvoedergewassen op het (melk)veebedrijf komen
in aanmerking: grassen al dan niet in combinatie met witte klaver, rode
klaver en luzerne. De gehele plant silage (GPS) van de combinatie
erwten met granen (als steunplant) sluit hierbij aan. Quinoa
(Chenopodium quinoa Willd) is een gewas afkomstig uit het Andesgebergte
en gelijkt vooral in de jeugdfase zeer sterk op melganzevoet. Dit gewas
zou ook als een potentiële eiwitproducent op het eigen bedrijf kunnen
worden verbouwd.
Volledigheidshalve kunnen ook bastaardklaver, inkarnaatklaver,
serradella en gele lupinen als vlinderbloemige hoofdgewassen worden
vermeld, maar deze teelten waren altijd van marginaal belang in ons
land en zijn al een hele tijd uit het landschap verdwenen.
Granen/zaden voor gebruik in de veevoederindustrie.
Gewassen die in Vlaanderen kunnen geteeld worden en die zowel op het
eigen bedrijf als in de veevoederindustrie kunnen gebruikt worden zijn
de granen en de vlinderbloemigen die voor de droge korrelopbrengst
worden gewonnen: droge erwten, droge bonen, veldbonen. Ook gedroogde
luzerne kan in veevoeders verwerkt worden. In Duitsland en Zwitserland
(Graber 2000) is er een groeiende interesse voor lupinen: alkaloïd-arme
rassen van gele en blauwe lupinen hebben een hoog eiwitgehalte, stellen
weinig bodemeisen en de genetische variatie is zeer groot zodat nog
heel wat vooruitgang kan worden geboekt.
In de veevoederindustrie worden eveneens bijproducten van
nijverheidsgewassen gebruikt: lijnschilfers (lijnzaad) en
koolzaadschroot. De teelt van olievlas en koolzaad is op dit ogenblik
zeer miniem in België en Vlaanderen.
2.2 Alternatieve plantaardige eiwitbronnen voor rundvee.
Het gebruik van dierlijk eiwit in de Vlaamse rundveevoeding is vrij
beperkt. De belangrijkste aanwending van deze eiwitten is het gebruik
van melkpoeder in kunstmelk voor fok- en vleeskalveren.
Het volledig vervangen van dierlijk eiwit door plantaardig eiwit stelt
dan ook geen probleem, behalve voor kalveren. Bij de plantaardige
eiwitbronnen kunnen we ruwvoer en krachtvoergrondstoffen onderscheiden.
Ruwvoer maakt meestal een belangrijk deel uit van het basisrantsoen bij
melkvee.
Een bijkomende aanvulling met krachtvoer is evenwel noodzakelijk
vermits de ruwvoeropnamecapaciteit onvoldoende is om bij de huidige
genetische aanleg voor een hoge melkproductie de behoeften te dekken.
Bij de vleesproductie met Witblauwe dikbillen is het ruwvoeraandeel in
het rantsoen beperkt. Deze dieren zijn ongeschikt om massaal ruwvoer te
benutten.
Als eiwitrijke krachtvoergrondstof speelt sojaschroot een aanzienlijke
rol. De vervanging door eiwitrijke krachtvoergrondstoffen van bij ons
(koolzaadschroot, erwten, luzernepellets,…) is bij de actuele
marktprijzen niet interessant. Het inmengen van 5% erwten in krachtvoer
voor kalveren, vleesvee en melkvee zou ruim 10.000 ha erwten vergen
(met 4250 kg/ha en 212 g RE/kg) en ruim 21.000 ton sojaschroot (427 g
RE/kg) kunnen vervangen. Bij rundvee bestaat de mogelijkheid om ureum
gedeeltelijk aan te wenden om aan de eiwitbehoeften te voldoen (dit is
het beperken van het OEB-tekort tot wat toelaatbaar is). Wanneer
we dit alternatief uit sluiten, dan worden de eigen eiwitrijke
krachtvoergrondstoffen ietwat sneller in het krachtvoer opgenomen
(hogere opportuniteitsprijs).
2.3 Alternatieve plantaardige eiwitbronnen voor varkens.
De alternatieve plantaardige grondstoffen, voornamelijk van de familie
van de vlinderbloemigen, kenmerken zich door de aanwezigheid van nogal
wat antinutritionele factoren. Enkele ervan vindt men ook terug bij
soja. Door middel van thermische en fysische behandelingen kan men
echter hun gehalte en/of activiteit fors terugdringen, zodat er op het
gebruik van soja en afgeleide producten weinig beperkingen staan.
Literatuur en eigen experimenten wijzen uit dat er aan het gebruik van
alternatieve plantaardige eiwitbronnen wel degelijk voedertechnische
beperkingen gebonden zijn. Het meest inzetbaar voor alle
gewichtscategorieën en leeftijden blijken de erwten te zijn, de
aanwezigheid van antinutritionele factoren blijkt bovendien ook best
mee te vallen. In tweede instantie en ter aanvulling, komen lupinen,
Phaseolus bonen en Vicia faba in aanmerking, voor zeugen ook luzerne.
Wegens de tekortkomingen van vlinderbloemigen inzake zwavelhoudende
essentiële aminozuren en tryptofaan, bewijzen respectievelijk
koolzaad(schroot) en lijnzaad(schilfers) hun diensten in de rantsoenen,
geformuleerd met alternatieve eiwitbronnen. Behalve op soja worden er
weinig behandelingen toegepast voor vlinderbloemigen ten einde de
antinutritionele factoren te deactiveren.
Een argument is natuurlijk de kostprijs van de behandeling ten opzichte
van de voordelen. De (anti)nutritionele waarde van de alternatieve
gewassen blijkt bovendien sterk afhankelijk van de cultivar.
Wat de kostprijs betreft, is het duidelijk dat sojaproducten voor een zeer gunstige prijs/eiwitkwantiteit
en prijs/eiwitkwaliteit verhouding staan. Naarmate er in het voeder
meer eiwit en essentiële aminozuren geëist worden, worden de
prijsverschillen belangrijker tussen het sojavoeder en het alternatief
voeder. Vandaar dat het onmogelijk is een interessante kostprijs voorop
te stellen voor de verschillende varkenscategorieën voor de
vlinderbloemigen om concurrentieel te zijn met soja(producten). De
kostprijs van een voeder hangt immers ook af van de andere ingrediënten
die nooit exact hetzelfde zijn voor het soja voeder en het alternatief.
Naast een reductie in de prijs van de vlinderbloemigen dient daarom
allicht ook de prijs te zakken van andere ingrediënten zoals
lijnzaad(schilfers) en koolzaad(schroot). Verder blijkt uit de minste
kost voederberekening dat hoe meer men van een bepaalde grondstof
kan inmengen, hoe minder de prijs dient te zakken van die bepaalde
grondstof.
Er dient ook gewezen te worden op het feit dat geen van de voorgestelde
alternatieve gewassen zo geconcentreerd is in ruw eiwit en essentiële
aminozuren als sojaschroot. De olie, het andere hoofdbestanddeel van de
sojaboon, is immers reeds verwijderd. Dit is ook het geval bij
raapzaadschroot, doch hier valt het ruw eiwitgehalte lager uit. Bij
erwten maakt zetmeel een belangrijke fractie uit van de nutriënten en
komt eiwit in tweede instantie. Verder onderzoek inzake alternatieve
plantaardige eiwitbronnen kan duidelijk maken of het terugdringen van
antinutritionele factoren en het verhogen van het eiwit- en essentieel
aminozurengehalte via selectie of door thermisch/fysische behandeling
van de gewassen mogelijk en rendabel is. Vanzelfsprekend dienen nieuwe
ontwikkelingen op het vlak van de nutritionele waarde van de plant
steeds getoetst te worden in vivo door middel van zoötechnische en
verteringsproeven.
2.4 Alternatieve plantaardige eiwitbronnen voor pluimvee.
De introductie van alternatieven voor soja is afhankelijk van hun
opportuniteitsprijs als resultante van grondstoffensamenstelling en
rantsoenkarakteristieken. Vooral voor rantsoenen met hoge
voedingsdensiteit is de opportuniteitsprijs duidelijk proportioneel met
de nutriëntendensiteit van de ‘alternatieve’ grondstof en zodoende
bepalend voor de mate van hun opname. Zo is de opname van erwten wel
opportuun in legkippenrantsoenen maar niet in vleeskippenrantsoenen.
Dit betekent dat voor bepaalde grondstoffen geen optimale prijs kan
opgegeven worden voor alle pluimveerantsoenen.
Bij de huidige marktprijzen (jan-feb. 2002) voor de soja grondstoffen
en de formulatie-voorwaardenzijn de opname-prijs van erwten en
behandeld koolzaad resp. 50 en 15% lager dan de gemiddelde sojaprijs.
Een groter verbruik van Vlaamse eiwitbronnen is wellicht realiseerbaar
door een beter samenwerking tussen selectie (genotype in relatie tot
zaad- en eiwitopbrengst en –samenstelling,…) en grondstoffenevaluatie
en –technologie.
Voor pluimvee kan een raming van de uitwisseling “soja vs. alternatieve
grondstoffen” berekend worden met behoud van de nutritionele waarde van
het rantsoen. De globale uitwisseling bij vleeskippen met een totale
productie van 700.000 ton voorziet ofwel 10.500 ton erwten voor 3.500
ton soja-grondstoffen ofwel 70.000 ton koolzaad voor 31.500 ton
sojaproducten. De globale uitwisseling bij legkippen met een totale
productie van 480.000 ton voorziet ofwel 96.000 ton erwten voor 24.000
ton soja-grondstoffen ofwel 24.000 ton koolzaad voor 9.600 ton
sojaproducten (voor koolzaad gaat deze uitwisseling pas op als alle
kippen WL-hybriden zouden zijn).
3. Uitwerking.
3.1 Proefpercelen eiwitgewassen.
Teeltjaar 2002.
Beproefde teelten:
1. protasil (erwten + zomergerst) 5. luzerne
2. erwt 6. koolzaad
3. quinoa 7. witte klaver
4. lupinen 8. rode klaver
Teeltjaar 2003.
Beproefde teelten:
1. lupinen 6. gras-erwten (20/80)
2. zomerkoolzaad 7. voedererwten
3. erwten-bonen (50/50) 8. kapucijnererwten
4. bonen-gerst (70/30) 9. phaseolusbonen
5. erwten-gerst (70/30) 10. viciabonen
3.2 Voederproef varkens.
Al eerste en voornaamste besluit moeten we stellen dat de proef een
oriënteerde proef was om de bruikbaarheid van eigen geteelde eiwitrijke
grondstoffen na te gaan. Deze proeven zijn opgezet met een klein aantal
dieren, waardoor we voorzichtigheid aan de dag moeten leggen bij de
besluitvorming.
Ondanks deze beperkingen wensen we volgende besluiten te formuleren:
a. Deze proeven, samen met andere recente ervaringen tonen aan dat er
zeker mogelijkheden bestaan voor het gebruik van eigen geteelde
eiwitrijke voedermiddelen. Vele van de proefrantsoenen lieten
aanvaardbare resultaten noteren.
b. De ingestelde maximumgehalten van de te testen voedermiddelen zijn
zeker niet te hoog. Bij iedere behandeling en bijna in iedere
deelperiode van de proef zijn de hoogte inclusie niveau’s niet de minst
goede rantsoenen. In vervolg onderzoek kunnen deze grenzen best
verhoogd worden.
c. Hoewel het gebruik van twee eigengeteelde eiwitrijke voedermiddelen
verschillende antinutritionele factoren in het rantsoen kan brengen
blijkt dat deze combi rantsoenen ook goede resultaten geven. De
inmengpercentages waren hier echter langs de lage kant, zodat in
vervolg onderzoek best ook hier hogere gehaltes gebruikt worden.
d. Uit deze proef blijkt dat bonen een betere eiwitvervanger zijn dan
erwten. Alle combinaties waar bonen gebruikt worden scoren beter. Dit
is echter tegen alle verwachtingen in.
e. Op zijn minst kan gesteld worden dat vele vooroordelen over het
gebruik van de hier opgenomen eiwitrijke voedermiddelen weggenomen
zijn. Het zou dus zeer nuttig zijn moest dit onderzoek verder
uitgewerkt kunnen worden. Eveneens nuttig zou een ras of soortonderzoek
zijn. Waarschijnlijk speelt het ras een grote rol in de bruikbaarheid
van deze eiwitrijke voedermiddelen. Via selectie is het gehalte aan
antinutritionele factoren sterk gedaald, waardoor de bruikbaarheid
toeneemt. Deze reden kunnen ook de oorzaak zijn van de grote variatie
in de resultaten beschreven in de literatuur.
www.zelfmengers.be
|
|
|
|