|
Het nieuwe landbouwbeleid: van hetzelfde laken een broek!?
Vorige week werd een compromis
klaargestoofd voor een hervorming van het landbouwbeleid. Vier jaar Agenda 2000
waren blijkbaar een maat voor niets. Daarover zijn we het ondertussen al eens
geraakt. Maar is deze hervorming zo veel beter? Zal Fishler er nu in slagen om
de Europese landbouw milieu- en diervriendelijker te maken? Zal het beleid
eenvoudiger zijn? Zullen de boeren eindelijk een stabiel en degelijk inkomen
hebben?
Misschien is het nog te vroeg om hierop
een antwoord te formuleren. Want er is inderdaad heel wat ruimte gelaten om dit
compromis in te vullen. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid lijkt immers hoe
langer, hoe meer op een Europese grabbelton, waar elk land ’t een en ’t
ander kan opvissen. Hoe je dat doet zal de commissie worst wezen. Als de
begroting klopt en als we goede punten krijgen op de WTO-onderhandelingen, dan
is de opdracht volbracht.
De echte vragen blijven echter
onbeantwoord. Het effect op het inkomen van de boer voorspellen, is immers nog
koffiedik kijken. Dat hangt af van de keuzes die de lidstaten zullen maken. En
daar is heel wat manoeuvreerruimte. En de beloofde stabiliteit lijkt weinig
betrouwbaar. Stabiliteit en lange-termijn-perspectieven werden bij Agenda 2000
ook beloofd, maar deze wordt met de nieuwe hervorming onder tafel geveegd.
Zullen de boeren in het zuiden
dan minder last hebben van onze export-roeping? Volgens Fischler wel. De
Europese prijzen komen dichter bij de wereldmarktprijzen. We gaan minder
exportsubsidies uitkeren, dat is dus in de sjakos. Maar we blijven wel
exporteren. En of dat nu subsidies zijn per ton vlees, per koe of per bedrijf,
het blijft gesubsidieerde export. De rest is boerenbedrog. De kans is zelfs
groot dat onze export nog toeneemt. We zullen de wereldmarkt misschien wel
anders verstoren, maar zeker niet minder.
Maar voor het milieu moet deze
hervorming een zegen zijn. Daar voelt de Europese commissie zich ge-ruggesteund
door een deel van de milieubeweging. Voor het toekennen van premies, zullen de
boeren immers moeten aantonen dat zij voldoen aan een aantal milieumaatregelen.
Dat is de zogenaamde ‘cross-compliance’. Maar heeft iemand deze maatregelen
of normen al gelezen? Gaat de import van veevoeders in onze havens stopgezet
worden? Gaan er minder dieren per ha mogen grazen? Of moeten de geldende regels
gewoon nog eens op een extra formulier ingevuld worden?
Vreemd toch, want het beleid ging
eenvoudiger worden. Ja, zegt Fishler. De bedrijven zullen slechts één premie
moeten aanvragen per bedrijf. Dat is toch eenvoudig. Maar de
oppervlakte-aangifte zal wellicht blijven, de bio-premie kan aangevraagd worden,
de beheerovereenkomsten blijven wellicht, er komt een premie voor het omzetten
van maïs naar gras-klaverweide, misschien wordt er een weidepremie ingevoerd.
En bovendien zullen heel wat boeren een audit moeten doen om te checken of ze
voldoen aan de gestelde eisen voor milieu en dierenwelzijn. Ook dat zal wellicht
gepaard gaan met de nodige formulieren… Zou dat echt zo veel eenvoudiger
worden?
Wervel
(Wergroep voor een
Rechtvaardige en Verantwoorde landbouw) vreest dan ook dat deze hervorming van
hetzelfde laken een broek is. Het is de zoveelste aanpassing van het beleid in
functie van het landbouw- en handelsmodel dat door WTO en enkele andere
instellingen naar voren wordt geschoven, gedicteerd wordt. Wervel pleit dan ook
voor een nog grondiger door elkaar schudden van het Europees landbouwbeleid. Er
moet een nieuwe wind komen, een nieuwe politiek, gesteund op een drietal essentiële
peilers.
Een eerste basisidee is dat
voedsel best zo dicht mogelijk bij de consument geproduceerd wordt. Op die
manier worden nutteloze transporten vermeden. De producten kunnen ook verser
verbruikt worden, dat is een surplus voor de kwaliteit van ons voedsel. Kortere
ketens verminderen de anonimiteit en het risico op voedselschandalen, en ze
motiveren landbouwers om de beste kwaliteit voor te leggen.
Dit
betekent niet dat Wervel elke vorm van handel in voedsel uitsluit. In functie
van de behoeftes kan er uiteraard voedsel verhandeld worden tussen de landen en
de regio’s. Maar dit moet beperkt blijven tot wat echt nodig is. Misschien
strookt dit niet met de zogenaamde “logica van de markt”. Dat kan best, maar
het moet duidelijk zijn dat het
gaat over voedsel. Niet over waspoeder. De productie van voedsel is zo complex,
zo nauw verbonden met natuurlijke processen, dat ze niet kan overgelaten worden
aan de logica van de markt. Het verhaal is iets ingewikkelder.
Een tweede basisidee is een rechtvaardige prijs voor de
producten die boer of tuinder hebben geteeld. Enerzijds moet de prijs tot een
billijke vergoeding leiden voor de arbeid van de land-
en tuinbouwer. Anderzijds moet de kostprijs voor eventuele schade aan het
milieu in de prijs verrekend worden. Om dit praktisch mogelijk te maken, moet de
overheid minimale prijzen voorop stellen. Handel in landbouwproducten beneden
deze prijzen, moet radicaal verboden worden.
Op
dit moment bestaan er binnen de EU al een soort van minimum prijzen. Maar dit
zijn de prijzen voor interventie (het opkopen van overschotten door de
overheid). De bestaande minimumprijzen zijn de resultante van een politiek
compromis, ze weerspiegelen op geen enkele manier de kostprijs van de producten.
Een
derde basisidee is die van productiebeheersing. Simpel gesteld betekent dat:
genoeg produceren, maar niet te veel. Al wat we zelf kunnen produceren (volgens
bodem, klimaat, oppervlakte enz.), produceren we best zelf. Dat is ecologisch
het meest verantwoord.
Enerzijds
houdt productiebeheersing in dat er geen structurele overschotten ontstaan. Als
er een te veel is op de Europese markt, zullen een aantal landbouwers hun
producten niet meer van de hand kunnen doen. En dat is nefast. Daarvoor is het
essentieel dat de overheid systemen van productiebeheersing voorziet.
Productiebeheersing
betekent anderzijds dat het beleid de nodige stimuli voorziet om voldoende te
produceren. Dat kunnen subsidies zijn. Maar dit is wellicht niet nodig omdat we
eisen dat niet onder de kostprijs verhandeld mag worden. In die minimale
kostprijs zit uiteraard ook de vergoeding voor een rechtvaardig loon voor boer
en tuinder. De nodige stimuli kunnen subsidies zijn, maar het kan ook bestaan
uit voorlichting, vorming, de beschikbaarheid van grond.
Concreet
kan dit voor Vlaanderen bvb. betekenen dat de overheid moet zorgen voor de
nodige ruimte om aan landbouw te doen. Het is niet voldoende dat er in de
Westhoek en in de Noorderkempen nog wat aan landbouw gedaan kan worden. Ook
dicht bij de steden, waar de consumenten zitten, moet er landbouw zijn. Dat
maakt het immers mogelijk om een korte keten tussen producent en consument te
stimuleren.
In andere landen moet de overheid deze stimuli wellicht heel anders invullen.
Dat moet precies de eigenheid van een Europees landbouwbeleid zijn.
Het
is daarbij uiteraard van belang te vermijden dat onze markten overspoeld worden
met buitenlandse producten. Daarom moet de overheid opnieuw importheffingen
kunnen opleggen. We gaan er immers van uit dat voedsel importeren een recht is,
geen plicht (in tegenstelling tot wat WTO ons vandaag oplegt). Hoeveel graan,
hamburgers of bloedworst we nodig
hebben, moet niet gedicteerd worden door enkele multinationals. Alleen wat we
nodig hebben, voeren we in. Dat is de basisidee.
Het
is evident dat dit verhaal alleen opgaat, als er een nieuwe internationale
context komt. Het dictaat van de WTO zal plaats moeten maken voor het recht op
een eigen landbouwpolitiek, voor het recht op een eigen markt. Daarvoor is er
een lokaal beleid nodig. In Zimbabwe zal dit anders zijn dan in Vlaanderen. Maar
ook in Hongarije is er wellicht een andere landbouwpolitiek nodig dan in
stad-staat als de onze.
Het
is dan ook van kapitaal belang dat onze landbouwministers terug het stuur in
handen nemen. We zijn ervan bewust dat een ander landbouwbeleid op poten zetten,
geen sinecure is. We weten goed dat het landbouwbeleid op Europees vlak wordt
uitgewerkt en dat er dus gezocht moet worden naar gelijkgezinde landen. Om te
beginnen moeten we al akkoord geraken met onze Franstalige collega’s in
Wallonië, maar het is een kwestie van zwemmen of verzuipen. Ofwel geven we de
landbouw in Vlaanderen op, ofwel moet er een echt ander landbouwbeleid komen,
geen nep-hervorming. We stellen dan ook luidop de vraag: “Welke politieke
partij durft zich hiervoor engageren? Wie maakt hiervan een punt?”
augustus 2003
|