Op 16 oktober 2006,
Wereldvoedseldag, gaat een gemeenschappelijke campagne van start voor duurzame
landbouw en voedselzekerheid voor iedereen. Deze campagne wordt gedragen door
“2015- DE TIJD LOOPT” (de Noord-Zuidcoalitie die werkt rond de
millenniumdoelstellingen) en natuur- en milieuorganisaties. Omdat voedsel een mensenrecht
is en duurzame landbouw een noodzaak, slaan zij de handen in elkaar om deze
boodschap een politieke draagkracht te geven.
Voedsel is een
mensenrecht. Een samenhangend beleid gericht op duurzame landbouw draagt bij
tot de verwezenlijking van dat recht.
Duurzame landbouw is
gericht op voedselzekerheid, ontwikkeling van het platteland,
armoedebestrijding en leefbare inkomens. Duurzame landbouw kan de wereld voeden maar vergt bescherming,
ondersteuning en marktregulering.
Duurzame landbouw verschaft
boeren, zowel vrouwen als mannen, een volwaardig inkomen en brengt gezonde
voeding en grondstoffen voort die in hoofdzaak afzet vinden op lokale en
regionale markten. Duurzame landbouw is economisch leefbaar, gericht op het
realiseren van sociale doeleinden, heeft oog voor de toekomstige generaties en
de mondiale dimensie, en respecteert de draagkracht van de natuurlijke
omgeving.
Op dit ogenblik vindt één
tiende van de voedselproductie zijn weg naar de wereldmarkt. Het streven naar
een wereldwijde vrije markt in landbouwproducten brengt een concurrentie teweeg
tussen boeren die leven en werken in zeer verschillende omstandigheden en
milieus aan sterk schommelende en structureel lage prijzen. Dat gaat ten koste
van voedselzekerheid, economische en sociale leefbaarheid en het ecologische
draagvlak.
Dit soort concurrentie
kan een aantal negatieve tendensen in de landbouw verergeren, zoals toenemende
industrialisering en concentratie van productiemiddelen, een versterkte greep
van de voedingsindustrie en de grootdistributie, vervuiling van bodem en water,
verlies van bodemvruchtbaarheid, het onnodig verplaatsen van verse producten en
halffabrikaten over de wereld, bedreiging van de voedselveiligheid en
dierenwelzijn, en verlies aan diversiteit. In het Zuiden verergert de
liberalisering de gevolgen van de verwaarlozing van de landbouw door de
overheid, verhoogt ze de plattelandsvlucht en bestendigt ze de ongelijke
toegang van boeren en boerinnen tot de productiemiddelen. Het resultaat is
grotere armoede en honger op het platteland. 70% van 850 miljoen mensen die
honger leiden zijn boeren. En deze honger treft in verhouding meer vrouwen,
terwijl zij relatief meer werk verzetten.
Een verbetering van de
sociaal-economische (o.m. het agrarische inkomen) en ecologische condities in
een context van duurzame landbouw is een belangrijke stap naar voedselzekerheid
en het bereiken van de verscheidene Millenniumdoelstellingen (MD’s): de
vermindering van de armoede en de honger (MD1), gelijkwaardigheid tussen mannen
en vrouwen (MD3) en de verbetering van het milieu (MD7). Die doelstellingen
zijn een taak van alle overheden, zowel uit Noord als Zuid (MD8).
Om duurzame landbouw
mogelijk te maken die mensvriendelijk is - waarbij bijzondere aandacht uitgaat
naar de positie van vrouwen-; die voedselzekerheid verschaft en aandacht heeft
voor het milieu, is er nood aan een samenhangend landbouwbeleid. Dit beleid
moet ingrijpen in de markt om lokale leefbare en duurzame productie te
beschermen en te ondersteunen en om te zorgen voor de internalisering van
externe kosten. Het vermindert de greep van de agro-industrie op de landbouw en
legt machtsconcentraties aan banden. Een duurzaam landbouwbeleid oriënteert de
landbouw meer naar lokale en regionale behoeften, en stimuleert het gebruik
van milieu-
en natuurvriendelijker productiemethodes.
Het beleid moet ook
aandacht hebben voor de rol van de Westerse voedingspatronen en aankoopgedrag. De overheden moeten zowel
voor duurzame productie als voor duurzame consumptie een wettelijk en
stimulerend kader vastleggen.
Boerenorganisaties
en andere organisaties die zich engageren voor duurzame landbouw en voeding,
dienen een actieve rol te kunnen opnemen in de uitwerking van het beleid op
alle niveaus
In het eerste jaar van de campagne richten
de deelnemende organisaties zich op volgende stappen in de richting van
voedselzekerheid en duurzame landbouw in Noord en Zuid. Deze stappen betekenen ondermeer
een grondige bijsturing van het huidige Europese gemeenschappelijke
landbouwbeleid, van het Europese handelsbeleid en de ontwikkelingssamenwerking.
Handelsregels aanpassen in
functie van duurzame landbouw
1. Recht op bescherming van lokale
landbouwmarkten
Slechts
enkele landen zijn volledig zelfvoorzienend inzake voedsel. Handel in voedselproducten
is noodzakelijk, maar kan ook marktverstorend werken. Een neerwaartse
prijzenoorlog en de invoer aan lage prijzen kan de lokale voedselproductie
verdrukken. De overleving van boeren en hun toegang tot voedsel hangt echter
sterk af van de prijs die zij voor hun producten krijgen.
Duurzame
landbouw heeft nood aan bescherming in landen van Noord en Zuid. Via de
internationale handelsakkoorden moeten in het bijzonder de armste landen het
recht toegewezen krijgen om de eigen markten te beschermen tegen goedkope
import.
2. Kwaliteitsbevorderende handelsregels tegen ecologische en
sociale dumping
Mensen
hebben een verscheidenheid aan verwachtingen tegenover landbouw, die niet
allemaal door marktmechanismen kunnen voldaan worden. Zo moet de landbouw
beantwoorden aan sociale normen en normen van milieu en dierenwelzijn. Maar dit
soort kwaliteitsproductie wordt afgestraft als externe kosten, zoals
milieulasten, niet in de prijzen verrekend worden.
Het
afschermen van de markt moet ook mogelijk zijn om te voorkomen dat binnenlandse
en internationale regelgeving uitgehold wordt (bvb GGO’s), of dat oneerlijke
concurrentie ontstaat op basis van kwaliteitsnormen. Dit betekent dat
handelsdifferentiatie mogelijk moet zijn, niet alleen op basis van productkenmerken,
maar ook op basis van de wijze waarop een product geproduceerd werd.
Tegelijk
is er een versterking nodig van de internationale milieuregelgeving en steun
aan ontwikkelingslanden om aan hogere sociale en milieunormen te kunnen
voldoen.
In
feite komen deze voorstellen neer op een bescherming tegen sociale en
ecologische dumping, namelijk tegen produceren en exporteren aan lage prijzen
ten koste van het milieu en sociale normen.
3.
Stop de economische dumping van landbouwproducten
Dumping
betekent dat een land haar producten uitvoert tegen een prijs die lager is dan
de volledige productiekost. Dumping kan te maken hebben met subsidies, maar net
zo goed met de verkoop van ondermaatse producten of (delen van) producten die
binnenlands minder gegeerd zijn; of met agressieve technieken om markten te
veroveren, en soms ook met voedselhulp.
Het
subsidiëren van de landbouw hoeft op zich voor derde landen geen probleem te
zijn. Maar directe steun aan de export (via subsidies, kredieten, enz) en het
exporteren van producten die dankzij directe of indirecte subsidies, onder
kostprijs kunnen aangeboden worden, kunnen economische schade berokkenen aan
derden. Dit moet tegengegaan worden.
4.
Eerlijke en stabiele prijzen voor landbouwproducten
De
wereldmarktprijzen voor landbouwproducten zijn te laag om landbouwers een
waardig inkomen te bieden. Vele ontwikkelingslanden en honderdduizenden kleine
boeren in deze landen zijn sterk afhankelijk van een handvol ruwe
landbouwproducten, zoals koffie, cacao en katoen. Deze landen lijden onder de
grote prijsschommelingen voor deze producten en de steeds slechter wordende
handelsruilvoet (prijzen voor ruwe producten vertonen op lange termijn een
dalende trend t.o.v. prijzen voor fabrikaten). Het resultaat is inkomensonzekerheid
zowel voor boeren als voor de overheden van veel ontwikkelingslanden.
Er
is nood aan nieuwe internationale mechanismen om grondstoffen in het algemeen
en landbouwproducten in het bijzonder lonender te maken en aanbod en vraag
beter op elkaar af te stemmen
Beperken van de greep van multinationale ondernemingen op de
landbouw
5. Beperken van de greep van multinationale ondernemingen op de
landbouw
Ook
landbouw en voedselproductie ontsnappen niet aan toenemende concentratie en de groeiende
greep van de handel in productiemiddelen (zaden, pesticiden, krediet, …), van de
tussenhandel, de verwerkende industrie en de grootdistributie. Deze trend gaat
gepaard met een toenemende industrialisering en verticale integratie van de
landbouw, exportgerichte landbouwproductie en de teloorgang van kleine
autonome familiebedrijven. Hij wordt versterkt door nieuwe technologieën en
eraan verbonden intellectuele eigendomsrechten. Deze groeiende
industrialisering gaat ook gepaard met sociale en ecologische gevolgen.
Diverse
maatregelen zijn nodig,
enerzijds om de macht van multinationals te beperken en anderzijds om de
positie van de landbouwers te versterken: anti-trustmaatregelen, een vergroting van de
transparantie en de aansprakelijkheid van bedrijven, een verbod op octrooien op
levende organismen en hun onderdelen (inclusief zaden); het versterken van
boeren- en boerinnencoöperaties en het ondersteunen van de directe verkoop aan
de consument.
Positieve stimulansen voor duurzame landbouw
6.
Steun het Zuiden om armoede en honger te bestrijden door middel van
kleinschalige duurzame landbouw
Steun
aan kleinschalige duurzame landbouwproductie biedt familiale boeren kansen om
uit de armoedespiraal te breken. Maar dat vereist een drastische verandering in
het landbouw- en ontwikkelingsbeleid. Een aangepast beleid moet gericht zijn
op:
-
Méér steun voor organisaties van familiale boeren die aan kleinschalige
duurzame landbouw willen doen, inclusief de vermarkting van de producten uit
die landbouw en met speciale aandacht voor de rol van de boerin.
-
Verbetering van de toegang tot grond, water, krediet en duurzame landbouwinputs
zoals lokaal ontwikkeld zaaigoed, ecologisch verantwoorde bemesting en
ziektebestrijding.
-
Aangepast landbouwonderzoek, voorlichting en technische ondersteuning, die de
lokale kennis en hulpbronnen valoriseren en versterken.
Dergelijk
duurzaam beleid is een taak van lokale overheden, maar moet ondersteund door de
internationale gemeenschap.
7.
De positie van vrouwen in de landbouw steunen en hun rechten versterken
Landbouwproductie
en voedselzekerheid zijn van kapitaal belang voor vrouwen die zowel de rol van
voedselproducente als van zorgdraagster voor het gezin vervullen. Vrouwen nemen
een groot deel van de arbeidstaken in de landbouw op zich, maar toch hebben ze
minder toegang tot de productiemiddelen. Armoede en honger treffen hen meer dan
mannen. Handelsliberalisering versterkt dikwijls de bestaande
genderongelijkheid.
Overheden
moeten de nodige beleidsruimte behouden en gebruiken om steun aan lokale
producenten in te passen in een algemeen sociaal beleid dat de positie van de
vrouw versterkt.
8.
Stimuleren van lokale en regionale landbouwmarkten
Lokale
en regionale markten (bv. Europees, West-Afrikaans, Andes…) bieden vele voordelen:
ze bieden meer mogelijkheden tot uitwisseling en productieverbetering; ze laten
een kortere keten toe dan intercontinentale handel (minder transport- en andere
milieukosten), ze zijn vaker cultuureigen, en veel meer gericht op
voedselproductie en consumptie.
Landen moeten de
nodige beleidsruimte krijgen om een beleid te kunnen voeren dat gericht is op
voedselsoevereiniteit . Dat houdt in dat ze tot een akkoord komen over de
gewenste combinatie tussen voedselproductie, -invoer en –uitvoer in het ruimtelijke
kader (nationaal, regionaal) dat daarvoor het meest gepast is. Die
beleidsruimte mag niet verloren gaan door de multilaterale of bilaterale
handelsbesprekingen. De internationale gemeenschap moet streven naar een
vergroting van de mogelijkheden voor regionaal beleid.
9.
Stimuleren van een milieuvriendelijke productie in het Noorden en het Zuiden
Landbouw
moet milieu- en natuurvriendelijker. De overheid moet het wettelijk en
stimulerend kader scheppen voor een milieuvriendelijke landbouwproductie. Het
beleid moet daarbij uitgaan van een aantal belangrijke milieuprincipes zoals de
brongerichte aanpak, het voorzorgsprincipe, het sluiten van kringlopen, het
respecteren van de regeneratiecapaciteit van ecosystemen, het beginsel dat de
vervuiler betaalt, emissiepreventie en extensivering van het energiegebruik.
Daarnaast moet er ook voldoende ruimte blijven voor aaneengesloten
natuurgebieden.
Er
moet werk gemaakt worden van onderzoek naar ecologische productiemethodes;
regelgeving en controle m.b.t. onder meer bemesting, pesticiden- en
watergebruik; veredeling die vertrekt van de veredelingsvragen van boeren
i.p.v. de industrie en die aansluit bij de biologische teeltproblemen; het
bevorderen van korte ketens; het internaliseren van externe kosten en het
koppelen van economische steun aan milieuvoorwaarden. Landbouwmilieumaatregelen
moeten volwaardig geïntegreerd worden in plannen voor plattelandsontwikkeling.
De voortrekkersrol van de biologische landbouw moet door de overheid erkend en
ondersteund worden.
Positieve
stimulansen voor een duurzame consumptie
10.
Stimuleren van duurzaam consumentengedrag in functie van een duurzame landbouw
wereldwijd
Er
is verandering nodig in het consumptiegedrag. Het westerse voedingspatroon en
aankoopgedrag, die meer en meer verspreid geraken, leggen nu een hypotheek op
een duurzame landbouwproductie: hoge vleesconsumptie, niet-seizoensgebonden
consumptie van groenten en fruit, weinig aandacht voor de herkomst van onze
voeding en voor de economische, ecologische en sociale neveneffecten van de
productiewijze van het voedsel.
De
overheid moet maatregelen nemen om duurzame consumptie mogelijk te maken en te
bevorderen. Ze moet ook het goede voorbeeld geven, sensibiliseren,
consumenteninformatie verbeteren en steun geven aan organisaties die duurzame
consumptiepatronen promoten.
Voor
elk van deze 10 aanbevelingen bestaat een uitgebreide fiche met meer
gedetailleerde informatie.
Werktekst versie 2 mei 2006
Deze politieke basistekst wordt onderschreven door
Africa Europe Faith and Justice Network België, Bioforum Vlaanderen, Bond Beter
Leefmilieu, CDI-Bwamanda-België, FIAN-Belgium, Greenpeace, Ieder voor Allen,
Jeugdbond voor natuur en milieu, KWIA, Natuurpunt, Netwerk Bewust Verbruiken,
VELT, Vlaams Agrarisch Centrum, Voedselteams, VODO, Voor Moeder Aarde, Wervel
en het samenwerkingsverband 2015 DE TIJD LOOPT: Bevrijde Wereld, Broederlijk
Delen, Fos, Globelink, Intal, KBA, Koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging
11.11.11, Noë, Oxfam Solidariteit, Oxfam Wereldwinkels, Plan België, Protos,
Studio Globo, Trias, Vlaams Guatemala Comité, Volens, Vredeseilanden,
Wereldsolidariteit, Wereldcentrum, Wereldmediatheek.