Genomics is een
paraplubegrip voor al het onderzoek naar de relatie tussen gen en eigenschap.
Het doel is meer inzicht krijgen over de genetische achtergrond van eigenschappen
en hun onderlinge relaties. De ontwikkeling van moleculaire merkers is daar
een onderdeel van. Moleculaire merkers zijn eigenlijk niet meer dan kleine
specifieke stukjes DNA die gerelateerd zijn aan een bepaalde eigenschap. Heeft
een plant dit bepaalde stukje DNA dan zal hij hoogstwaarschijnlijk ook de
gewenste eigenschap hebben. In het laboratorium kan je dan al aan de zaailingen
snel bepalen welke planten wel of niet het gewenste stuk DNA hebben. Zo kan je
een voorselectie maken. Met de voorgeselecteerde planten ga je verder in het
veld voor selectie op andere kenmerken.
Voordelen techniek
De techniek is nog
sterk in ontwikkeling. In de praktijk wordt merkergestuurde selectie nog
slechts toegepast in de groenteveredeling bij selectie op eenvoudige,
overervende ziekteresistenties. Die berusten op een enkel gen en komen
onafhankelijk van het milieu tot uitdrukking. Met name bij het inkruisen van
resistentiegenen uit wilde soorten biedt de merkertechnologie grote voordelen
omdat de planten met de minste ongewenste 'wilde' genen makkelijker herkend
kunnen worden. Ook kan het een hulpmiddel zijn om in specifieke gevallen een
voorselectie te maken voor eigenschappen die moeilijk visueel te beoordelen
zijn of die pas laat, na een of meerdere generaties, in de ontwikkeling van
een plant of fruitboom tot uiting komen. Bij de groenteveredeling is dit
hulpmiddel dan ook niet meer weg te denken. De merkertechnologie maakt het mogelijk
de duur van de rasontwikkeling te verkorten.
Maken deze
voordelen de techniek ook geschikt voor de ontwikkeling van biologische rassen?
Biologische
plantenveredeling
Een gecertificeerde
biologische plantenveredeling bestaat nog niet. Hoe we die kunnen vormgeven en
aan welke eisen een gecertificeerde biologische veredeling zou moeten voldoen
is al enige jaren onderwerp van discussie. De rol die moleculaire merkers
daarin kunnen spelen is onderdeel van deze discussie. De vraag of moleculaire
merkers passen bij de uitgangspunten en doelstellingen van de biologische landbouw
is vanuit diverse invalshoeken te benaderen. Het gaat niet alleen om de vraag
wat voor rassen de sector nodig heeft, maar ook hoe die verkregen worden. Het
concept van natuurlijkheid kan een hulp zijn voor dergelijke discussies. Het
begrip natuurlijkheid zoals dat in de biologische sector gehanteerd wordt,
omvat drie aspecten: het geen-chemie aspect, de agro-ecologische benadering en
de integriteit var organismen.
Geen-chemie aspect
Wat veel mensen
niet weten is dat er voor de ontwikkeling van moleculaire merkers altijd
genetisch gemanipuleerde bacteriën, gisten of planten nodig zijn. En dat in
veel gevallen kankerverwekkende of radioactieve stoffen gebruikt worden voor de
toepassing ervan, afhankelijk van het type DNA-merker. Alleen al op grond van
de geen-chemie en geen-GMO benadering past deze techniek dus niet binnen de
biologische plantenveredeling.
Agro-ecologische
benadering
In plaats van
chemie past de biologische landbouw een agro-ecologische benadering toe. Dat
betekent dat de biologische sector aangepaste, robuuste rassen zoekt met een
goede plantgezondheid, kwaliteit en smaak. Eigenschappen die daaraan bijdragen
zijn opbrengststabiliteit, een goed ontwikkeld wortelstelsel,
onkruidonderdrukkend vermogen en een brede weerstand tegen ziekten en plagen.
Dit zijn complexe eigenschappen die deels bepaald worden door meerdere genen op
meerdere chromosomen en deels door het teeltmilieu. Hiervoor zijn nog geen
merkers beschikbaar, en ook niet eenvoudig te ontwikkelen. Fundamenteel
onderzoek moet nog veel werk verzetten om de interactie tussen genen,
fysiologie en omgeving te doorgronden; een veldtoets blijft bij complexe
eigenschappen altijd onmisbaar. Robuustheid is bij uitstek een verzameling van
eigenschappen die zich alleen in gezamenlijkheid op het veld kan tonen, in het
samenspel tussen het genotype en de teeltomgeving. Dus ook vanuit een
agro-ecologische benadering zijn moleculaire merkers geen logische en bruikbare
stap in de biologische veredeling.
Integriteit van de
plant
In de biologische landbouw
spelen ethische aspecten zoals respect voor de integriteit van het leven[1]
een rol in de productie. Zo zijn naast ecologische argumenten ook ethische argumenten
bepalend voor de afwijzing van GMO's. Merkergestuurde selectie heeft het gevaar
in zich dat men zich te eenzijdig gaat richten op het DNA van de plant. Dit
doet geen recht aan de integriteit van de plant. De kwaliteit van een plant
ligt verborgen in het samenspel van erfelijke en actuele omgevingsfactoren.
Bij veelvuldig gebruik van DNA-merkers wordt een plant volgens die zienswijze
gereduceerd tot slechts een klontje DNA.
Kosten
Naast bovenstaande
overwegingen spelen ook de kosten een rol. Het ontwikkelen van moleculaire
merkers slokt een groot deel van het gangbare onderzoeksbudget op. Is dit een
techniek waar de biologische sector haar beperkte biologisch onderzoeksbudget
aan moet besteden? Dat ligt niet voor de hand. De nadruk ligt in biologische
landbouw immers op de ontwikkeling van duurzame resistenties voor een plant in
een bredere context. De ontwikkeling van moleculaire merkers voor bijvoorbeeld
een goed wortelstelsel zal vele jaren duren. Dan nog zullen dergelijke merkers
slechts een deel, bijvoorbeeld 30-40%, van de variatie op het veld kunnen
voorspellen. De vraag is hoeveel winst dat voor de praktijk oplevert in
vergelijking met louter veldselectie. Bovendien staand kosten daarvoor niet in
verhouding te andere noodzakelijke onderzoekswen sen in de biologische sector.
Gewenste
ontwikkeling?
Zowel uit praktisch
als uit principieel oogpunt zijn er diverse bezwaren aan te voeren tegen
merkergestuurde selectie voor duurzame, robuuste rassen voor de biologische
landbouw. Zolang er geen merkers ontwikkeld kunnen worden zonder gebruik te
maken van gmo's is het toepassen in de biologische veredeling in ieder geval
niet acceptabel.
De discussie gaat
vaak ook over de vraag of je in specifieke gevallen, als er ooit 'schone'
DNA-merkers komen, dergelijke merkers kan inzetten zonder het zicht op robuuste
rassen te verliezen. Bijvoorbeeld in het geval van luisresistente sla: het is
denkbaar planten uit een kruising voor te selecteren in het lab met merkers (of
met een traditionele bio-toets) op aanwezigheid van de specifieke
luisresistentie. Vervolgens kun je met die geselecteerde planten in de volgende
generaties op het veld naar andere noodzakelijke kenmerken kijken en de meest
robuuste planten selecteren. Echter, het gevaar van moleculaire merkers zit hem
in de verleiding om te eenzijdig op monogene eigenschappen te richten, hetgeen
niet de gewenste biologische, duurzame ontwikkelingsrichting is. De uitkomst
van de internationale discussie (ECOPB, Driebergen 2005) over gebruik van
moleculaire merkers in de biologische landbouw was duidelijk: enerzijds zijn
op korte termijn geen merkers te verwachten voor de praktische biologische
veredelingsprogramma's. Anderzijds kunnen DNA merkers in het fundamentele
onderzoek helpen om meer inzicht te krijgen in de genetische achtergronden van
eigenschappen. Wellicht kan ook de biologische landbouw hier op termijn haar
voordeel meedoen. Maar gezien de bezwaren bij het ontwikkelen en toepassen van
DNA merkers in de praktijk kan het onderzoeksbudget bestemd voor fundamenteel
onderzoek in de biologische landbouw beter aan andere onderzoeksvragen
besteed worden. Het blijft dus zaak om de wetenschap uit te dagen duurzame
veredelingsstrategieën te ontwikkelen die bijdragen aan robuuste, biologische
rassen.
Met dank aan de
resultaten van de ECO-PB/COST workshop en het werk van een groep Wageningse studenten
binnen het AMC programma. Rapport'Proceedings
of che COST SUSVAR/ECO-PB Workshop on Organlc Plant Breeding Strategies and the
Use of Molecular Markers' is te bestellen bij het LBI, 0343-523860
ontleend aan
Ecoland 2006, 2