|
|
|
|
Opinie wereldvoedselvraagstuk |
Kan het wereldvoedselvraagstuk gereduceerd worden tot economische en technologische oplossingen?
De uitdaging van een duurzame groei in de voedselproductie om het
groeiend aantal monden in de komende decennia te voeden, is recentelijk
verscheidene malen in de publieke belangstelling gekomen. De
berichtgeving in de media is echter eenzijdig: als enige oplossing
wordt de grootschalige invoering van GGO’s in het Zuiden naar voor
geschoven. Zo ook door Eric Tollens, hoogleraar economie aan de
KULeuven, die in deze krant op 21 juni argumenteert dat de broodnodige
verdubbeling van de productie slechts mogelijk is als de boeren in het
Zuiden hun productie beter kunnen beschermen tegen toenemende droogte
en insectenplagen met technozaden.
Men kan ook stellen dat de Groene Revolutie stilaan aan het einde van
zijn latijn is: de intensieve monoculturen zijn extreem gevoelig
geworden aan externe invloeden en verliezen hun efficiëntie door
verlies aan bodemvruchtbaarheid en erosie. Zijn GGO’s de oplossing?
Volgens de lobbymachine van de vijf firma’s die vandaag de
biotechnologiemarkt beheersen wel. Monsanto, het bedrijf dat 90% van de
technozaden commercialiseert, wijst op de succesvolle lancering van
bijvoorbeeld technosoja en technokatoen. Zelfs de
Wereldvoedselorganisatie FAO drukt zich positief uit over een
technologische revolutie voor de voedselonzekere landen, weliswaar met
de opmerking dat het bedrijfsleven meer inspanningen ‘zou’ moeten doen
om de technologie toe te spitsen op de noden van de arme boeren in het
Zuiden.
Waarom blijven boerenorganisaties, NGO’s en veel regeringen van
ontwikkelingslanden zich dan verzetten? Monsanto’s goednieuwsshow dient
met een korrel zout genomen te worden. Op 18 juni jongstleden
werd door de gouverneur van Santiago del Estero in Argentinië een halt
toegeroepen aan de uitbreiding van technosoja. Na een decennium van
explosieve groei om veestapels op andere continenten van veevoeder te
voorzien, zijn 150.000 producenten van basisvoedselgewassen van hun
land gejaagd door lage oogstprijzen en de steeds giftiger
pesticidencocktails van hun sojaburen die met stijgende
onkruidproblemen te kampen krijgen. En in India? Monsanto beweert
op basis van één enquête in 2001 dat de technokatoenboeren hun
opbrengst bijna konden verdubbelen. Een recente GRAIN-studie van 164
kleinere katoenboeren die over een lange periode tijdens het seizoen
2003-2004 werden opgevolgd, constateert echter dat de opbrengststijging
en pesticidenreductie minimaal waren en dat de boeren uiteindelijk 9%
minder verdienden.
Voorts zwijgt men over alternatieven, die nochtans vaak spectaculaire
opbrengsten geven. Waarom heeft de FAO het niet over haar resultaten
met geïntegreerd plagenbeheer in Mali, waar katoenboeren met lokale
middelen en kennis, hun pesticidengebruik met 70% zagen dalen, terwijl
hun opbrengsten met 25% stegen en
hun inkomsten met 49%? En in 2004, het “Internationale FAO Jaar van de
Rijst”, zou het toch voor de hand liggen om de succesvolle
rijstintensiveringsprojecten van o.a. de Cornell universiteit te
vermelden: van drie ton naar zelfs twaalf ton per hectare, daar kunnen
gentechwetenschappers alleen maar van dromen! En toch kwam er
geen labowerk of dure technologie aan te pas, maar simpele ingrepen:
minder zaailingen gebruiken, vroeger planten, een nieuwe
bewateringstechniek, en het gebruik van compost. Mocht in zulk
onderzoek echt geïnvesteerd worden, dát zou pas goed nieuws zijn voor
de helft van onze mensheid die van rijst afhankelijk is om te
overleven. Maar misschien verdient de agro-industrie er niet genoeg aan?
De FAO rept ook met geen woord over de oogstmislukkingen en de schulden
waarmee vele boeren die enthousiast technozaden adopteren, te kampen
krijgen. Kosten en risicospreiding zijn doorsslaggevende factoren
voor de arme boeren die verondersteld worden met de nieuwe technologie
hun opbrensten te verhogen. Mede daarom sparen meer dan 1.4 miljard
mensen wereldwijd de mooiste zaden uit hun oogst als zaaigoed voor het
volgende seizoen. Op technozaden rust meestal een patent; terug
inzaaien wordt beboet. Eventuele besparingen door een lagere dosis
bestrijdingsmiddelen is net zoals bij gangbare landbouwtechnieken
slechts een tijdelijk fenomeen, dat teniet gedaan wordt door
resistentie van insekten en onkruiden.
Maar gesteld dat de problemen van hogere kosten en risico’s opgelost
kunnen worden door een aangepaste aanpak voor de arme boeren. Kan
pakweg technokatoen dan niet meer geld in het laatje brengen? Het valt
te verwachten dat zij in de winst-gedreven context van de vrije
wereldmarkt aan het kortste eind trekken: hun productievere collega’s
in de VS passen nieuwe technologieën natuurlijk als eerste toe,
waardoor katoenboeren in het Zuiden op de wereldkatoenmarkt komen als
deze al verzadigd is door de opbrengstverhogingen in het Noorden. Zij
worden geconfronteerd met dalende prijzen en beperkte
afzetmogelijkheden. Ga terug naar start, maar wel met een hoop schulden
erbij.
Ook voor basisvoedselgewassen geldt dezelfde tendens:
wereldmarktprijzen zijn schandalig laag, als gevolg van een machtsspel
dat de rijke landen spelen om hun overschotten te kunnen dumpen en
onder de productieprijs te exporteren naar het Zuiden. Terwijl
binnenlandse markten onderontwikkeld zijn door ondermaatse
overheidsinvesteringen in lokale voedselproductie, landbouwkredieten,
onderzoek en vermarkting. Dat is de hongertang waar arme boeren tussen
gekneld zitten. Wat heb je aan technologie zonder leefbare prijs voor
je producten?
De commerciële landbouw op de betere gronden heeft er evenmin baat bij
om voor de inlandse plattelandsbewoners, die 70% van de 840 miljoen
hongerige en ondervoede mensen in de wereld uitmaken, voedsel te
produceren. Ze beschikken immers over een verwaarloosbaar inkomen van
minder dan één dollar per dag om aan te kopen wat ze zelf niet
produceren. De koopkrachtige consumenten in het Noorden vormen een
interessantere markt voor rijkere boeren. Ze hebben er belang bij om
levensstandaard en lonen van arme plattelandsbewoners laag te houden om
hun productiekosten te verlagen en concurrentieel te zijn op de
wereldmarkt. Voor hen rest geen ander alternatief dan trachten te
overleven op de veelal moeilijk bewerkbare gronden waar ze historisch
naar toe werden gedreven en waar ze met complexe landbouwsystemen van
diverse gewassencombinaties een bescheiden maar zekere productie
handhaven. Of hun arbeid verkopen aan exportplantages. De cirkel is
rond en vicieus.
Een puur neo-klassieke economische analyse volstaat niet om de
hongerproblematiek te begrijpen en aan te pakken. Voedsel is niet
slechts een handelswaar dat geproduceerd wordt door bedrijven voor
mensen die het kunnen kopen. Het wordt in de eerste plaats geproduceerd
door boeren zodat mensen kunnen eten, incluis zichzelf. De prioriteiten
liggen elders als we aan de honger willen werken. Kijken we eerst naar
onszelf. Moeten en kunnen we er zomaar vanuit gaan dat bestaande
patronen, zoals onze overconsumptie van vlees, gehandhaafd blijven ten
koste van grond elders voor veevoederproductie? De sociale strijd van
gemarginaliseerde boeren voor een rechtvaardige controle over een goed
stuk land en over hun eigen zaadbronnen moet serieus genomen worden.
Hun mensenrecht op voeding staat immers op het spel. Een integrale
landhervorming die een daadwerkelijke transfer betekent van
onproductief of onduurzaam beheerd land, in handen van een rijke elite,
naar de verarmde plattelandsbevolking, is daarvoor een basisvoorwaarde.
Alleen zo kunnen kleine boeren de nationale productie ondersteunen en
er tegelijkertijd een waardig inkomen uit halen.
Ontwikkelingssamenwerking en internationale leningen moeten hier
(terug) een prioriteit van maken. Landen moeten hun grenzen ook kunnen
afschermen om hun boeren en voedselvoorziening niet in gevaar te
brengen. Want boeren investeren alleen in duurzame, productieve
landbouw als ze er een eerlijke prijs voor krijgen. Maar van die nieuwe
beleidsruimte die zo vrij zou komen, een speelveld maken voor
buitenlandse gentechbedrijven, is geen oplossing voor armoede en
honger. Landbouwsystemen die op maat zijn gemaakt van kleinschalige,
familiale boeren en samen met hen worden geperfectioneerd, wel.
Jonas Vanreusel, FIAN-Belgium (Foodfirst Information and Action Network)
Jan Vannoppen, Vredeseilanden (lid van de Coalitie tegen de Honger)
Geert Fremout, landbouwwerkgroep VODO (Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling)
|
|
|
|